*

 
dossier

Archief

DE INHAALRACE VAN DE VROUW

MARJAN AGERBEEK; LEO HOOGERWERF − 10/01/98, 00:00

Hardrijden op de schaats is heel lang een bezigheid voor uitsluitend mannen geweest. Zij draaien al bijna een halve eeuw hun rondjes, voordat schaatsen ook voor vrouwen een serieuze aangelegenheid wordt. Dat is merkwaardig, want op de lijsten van de eerste officieuze wereldrecords, daterend van 1884, kom je al vrouwennamen tegen. Zo zou de Oostenrijkse Adolfine Kaar op 13 februari 1898 de 500 meter in een tijd van 1.39,6 hebben gereden. Daarna blijft het soms jaren stil. Af en toe duikt er een Japanse, Zwitserse of Russische schaatstser op, maar ze worden niet serieus genomen. Vrouwen horen niet op een schaatsbaan. Ze zwaaien te veel met hun lichaam en kunnen onvoldoende kracht ontwikkelen, is de algemene kritiek.

Pas in de jaren dertig, als de mannelijke pioniers Jaap Eden, Peter ístlund en Oscar Mathisen alweer door een nieuwe generatie zijn afgelost, komt de doorbraak voor de vrouwen. Dat is voor een niet onbelangrijk deel te danken aan Zofia Nehringowa. De Poolse toont zich een uitzonderlijk schaatstalent en rijdt de ene toptijd na de andere. Vooral uit Polen komt er een lobby bij de Internationale Schaatsunie (ISU) op gang om ook voor vrouwen wereldkampioenschappen in te stellen. Nehringowa zet druk op de ketel, schrijft in voor het EK mannen in 1932 en rijdt daar zelfs tegen de latere Europees kampioen, de Fin Clas Tunberg. Uit een gedenkboek: 'Van verschillende zijden waren aanmerkingen gemaakt op het deelnemen van dames aan het kampioenschap in het hardrijden. Het algemeen oordeel was, dat wanneer de dames zich thans ook op het hardrijden gingen toeleggen, hier extra wedstrijden uitgeschreven dienden te worden.'

Pas in 1935 is het zover. Voor Nehringowa komt de erkenning een beetje te laat. Ze doet in 1939 voor de eerste en tevens laatste keer aan een WK mee. Mede door een val op de 500 meter wordt ze slechts vijfde.

Toch is de ban gebroken. De vrouw kan aan een inhaalrace met de man beginnen. Ook dan komt het moment waarop de grafieken een eerste vergelijking kunnen laten zien. In dat prille begin gapen er uiteraard enorme gaten in de onderlinge tijden. In de loop der jaren zijn die verschillen steeds verder afgenomen. Mannen en vrouwen zijn beiden harder gaan schaatsen, maar op alle afstanden is die versnelling bij de vrouwen groter dan bij de mannen. Gemeten vanaf het tijdperk Nehringowa kruipt het wereldrecord van de vrouwen op de 3000 meter het snelst naar het record van de mannen. Respectievelijk volgen de 1500, 1000, 5000 en 500 meter. Vanuit de veronderstelling dat vrouwen het relatief beter doen op langere afstanden, zou het logisch zijn geweest als op de 5000 meter de records het snelst naar elkaar kruipen. Dat dit niet het geval is, komt waarschijnlijk doordat deze afstand lange tijd een stiefkindje is geweest. De ontwikkeling van de afstand en dus het record is pas begin jaren tachtig goed op gang gekomen. Voor die tijd werd de 5000 meter slechts zelden gereden. Anderzijds moet ook opgemerkt worden dat de 3000 meter door vrouwen vaker wordt gereden dan door mannen.

Om te kijken hoever de vrouw nog achterligt, is het aardig de huidige toptijden van de vrouwen te vergelijken met de periode waarin de mannen tot deze tijden kwamen. Dan blijkt dat de vrouwen hemelsbreed zo'n 20 tot 25 jaar achterlopen. Bijvoorbeeld, het kersverse wereldrecord van Catriona LeMay-Doan op de 500 meter (37,55) was in 1975 de toptijd bij de mannen, met kanjers als Muratov en Kulikov. Op de 1500 meter mag de Canadese sprintster zich de vrouwelijke Ard Schenk van de jaren negentig noemen. Haar 1.57,87 is te vergelijken met de wereldtijd die de huidige Nederlandse olympische chef begin jaren zeventig in handen had. Claudia Pechstein zit met haar 4.07,13 op de 3000 meter precies op het niveau van de onaantastbaar geachte tijd, die Eric Heiden twintig jaar geleden op deze afstand liet noteren. En het zou aardig zijn om Gunda Niemann een keer een vijf kilometer te laten rijden tegen de immer nog actieve Piet Kleine. Waar de postbode uit Hollandscheveld in 1976 het record via 7.04,86 op 7.02,38 bracht, is de beste vrouwentijd (7.03,26) al sinds 1994 in bezit van Niemann.

Maar halen de vrouwen met hun grotere progressie ooit de mannen in? Als het aan de computer ligt, zal dat gebeuren. We moeten nog wel 'even' wachten; 169 jaar om precies te zijn. Op grond van de trend heeft de computer berekend dat de vrouw op de 3000 meter in het jaar 2167 sneller zal zijn dan de man. Maar dan gaat het ook 'snel', want vijf jaar later gebeurt het op de 1500 meter, zes jaar later op de 1000 meter en weer drie jaar later op de 5000 meter. Op de 500 meter eindigt de inhaalrace pas in 2248. Ach, slechts een kwart millennium verder.

We kunnen het makkelijk schrijven, want niemand zal ons er ooit op kunnen afrekenen. Ook Ab Krook kan hartelijk lachen om de fictieve berekeningen. “Zover zal het nooit komen”, zegt de technisch coördinator van de schaatsbond beslist, “sterker nog, begin dit seizoen was er juist bij de mannen een grotere progressie dan bij de vrouwen. Dat is in de loop van het seizoen overigens wel weer rechtgetrokken.” Daar is een simpele verklaring voor. Vorig seizoen hadden de vrouwen, onder aanvoering van Tonny de Jong, de klapschaats al 'ontdekt' en dus relatief meer tijdvoordeel geboekt dan de mannen, die pas dit seizoen op het nieuwe schaatswonder hun rondjes rijden.

Kracht, kracht en nog eens kracht. Dat is voor Krook, die jarenlang zowel de mannen als de vrouwen trainde, de enige en simpele factor waarom de achterstand nooit zal worden ingelopen, laat staan zal worden omgezet in een voorsprong. “Als vrouw kun je sleutelen aan techniek en snelheid, maar nooit zal ze dezelfde kracht als een man kunnen ontwikkelen. Tenminste, zolang je op natuurlijke wijze te werk gaat.”

Daarmee legt Krook ondubbelzinnig een link met het inmiddels ontmantelde Oost-Duitse systeem. De huidige technisch coördinator van de schaatsbond is er ook van overtuigd dat een belangrijk deel van de progressie bij de vrouwen het gevolg is geweest van de aanpak in het Oostblok. “Je ziet het nu al afbrokkelen. Kijk naar Niemann en Pechstein. Maar let vooral op de nieuwe Duitse lichting. Die stelt niets voor. Het systeem is volledig in elkaar gestort. De discipline is weg. Als een Duitser nu eens minder zin heeft om te trainen, dan kan dat.”

In het begin van de jaren tachtig was dat wel anders, herinnert Krook zich. Het tijdperk van Stien Baas-Kaiser en de schaatsende huismoeder Atje Keulen-Deelstra was net voorbij. Er waren geen echte toppers meer en de kampioenschappen waren een soort loterij. “In Oost-Duitsland hebben ze het toen, hoe je er ook over denkt, heel slim aangepakt. Ze zagen dat er bij het vrouwenschaatsen medailles te halen waren. Nee, niet bij de mannen. Want daar was de overmacht van de Nederlanders en de Noren te groot.”

Met wat te boek staat als Die Nacht- und Nebel-aktion riepen de Oost-Duitse sportbobo's het vrouwenschaatsen tot speerpunt uit. Met de succesvolle aanpak van het zwemmen en het roeien als basis werden uitgekiende trainingsschema's (Krook: 'Je wist op de minuut af wat ze deden') opgezet, waarbij veel aan krachttoename en uithoudingsvermogen werd gedaan. Krook kan zich nog verbazen: “Ik heb meiden als Kania en Niemann trainingen zien doen, die je mannen als Ritsma en Zandstra nog niet aan zou doen. Als wij tien rondjes hebben gerolschaatst, gaan zij nog eens twintig of dertig minuten door. Het fanatisme ging zo ver dat de mannelijke schaatsers op trainingen gewoon als een soort trekpaarden voor de vrouwen werden gebruikt. Wie niet kon volgen, viel af. Dan stond er vanzelf wel weer een ander gereed. Zo zijn toppers als Kania en Niemann het product van het collectief geworden.”

Ook Harm Kuipers, bewegingswetenschapper aan de Universiteit van Maastricht, zal het niet meemaken dat de vrouw de man inhaalt. Toch is er volgens de wereldkampioen van 1975 voor het 'zwakke geslacht' nog wel meer progressie te boeken. “Schaatsen is natuurlijk een hele technische sport. Jezelf op twee smalle ijzers voortbewegen vergt heel wat techniek. Door veel te oefenen, kun je die techniek verbeteren en omzetten in snelheid.”

Meer snelheid heeft ook weer nadelen. “Dan heb je weer meer last van de luchtweerstand, zeker op lager gelegen banen. Mannen hebben daar door hun hogere snelheid nu meer mee te maken dan vrouwen.” Maar ook Kuipers wijst op de factor kracht, het fysiologische verschil tussen man en vrouw. “De motor van de vrouw kan nu eenmaal minder energie leveren dan die van de man. Op langere afstanden kan de vrouw echter weer meer inlopen, omdat het daar minder op energie en meer op uithoudingsvermogen aankomt. Bij typische duursporten als de marathon is dan ook de voorspelling dat de vrouw op den duur sneller zal kunnen zijn dan de man.”

Toch zal de schaatssport volgens Krook en Kuipers over de hele linie nog voldoende progressie kunnen boeken. De effecten van de klapschaats zijn voorlopig nog niet uitgewerkt. Kuipers verwacht dat de records straks even gelijk blijven, maar daarna weer aangescherpt zullen worden. “De volgende lichting wordt als het ware met de klapschaats aan geboren en zal er beter mee uit de voeten kunnen dan de huidige generatie.” Krook plaatst daar een kanttekening bij. “Het kan ook averechts werken. Stel even gemakshalve dat je op de klassieke schaats een afzet hebt van 100 procent. Door de klapschaats komt daar tien procent bij. Maar het kan best zo zijn dat als je alleen maar op de klapschaats traint en rijdt, die basis-afzet maar tachtig procent is. Weg is dan je winst.”

De klapschaats is nog zo nieuw en de rijd(st)ers moeten er nog zo aan wennen, dat er nog meer voordeel uit is te halen. Bijvoorbeeld door een andere trainingsmethodiek. Krook wacht dan ook vol spanning op de uitslag van een onderzoek, dat in het najaar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam bij dertig 'klapschaatsers' is gedaan. “Dat heeft zoveel gegevens opgeleverd, dat de resultaten nog niet volledig zijn uitgewerkt. Wie weet, komt daar wel uit dat je bijvoorbeeld de kuitspier heel anders moet belasten. En dat kan weer onmiddellijk gevolgen hebben voor de training en daardoor kunnen ze weer sneller gaan schaatsen.”

Maar omdat Kuipers gelooft dat ijs en luchtweerstand de belangrijkste tegenstanders voor een schaatser zijn, is volgens hem in de toekomst de grootste tijdwinst uit schaatsaccommodaties te halen. Maar wie is er bereid om te investeren in, zoals Kuipers voorstelt, een ijsbaan onder een glazen stolp op bijvoorbeeld 2500 meter hoogte. “Dan heb je de minste last van de luchtweerstand en krijg je door de stolpwerking zeker op de langere afstanden een hogere snelheid.”

En Krook, ook filosoferend. “Stel voor dat het Oost-Duitse systeem dan nog had bestaan, dan hadden ze van de Berlijnse hal misschien wel een soort bunker gemaakt waar je hoogte zou kunnen nabootsen. En dan wel zodanig dat je met een minimum aan luchtweerstand de snelste tijden zou kunnen maken. Alleen moet je dan wel oppassen, want anders word je als schaatser vacuüm gezogen.”

Zeker, grootheden als Stien Baas-Kaiser, Atje Keulen-Deelstra, Karin Kania en Gunda Niemann hebben het vrouwenschaatsen steeds verder opgestoot in de vaart der volkeren. Toch was ooit een Poolse rijdster de ware pionier. Vrouwen reden al tientallen jaren hun rondjes op de schaatsbaan, maar werden amper een blik waardig gegund. Totdat ene Zofia Duda in de winter van 1929 op de schaatsbaan van Warschau de ene na de andere opzienbarende prestatie neerzet. Op 26 januari wordt het jonge talent (18) de eerste officiële wereldrecordhoudster op de 1000 meter (2.16,4), een dag later herhaalt ze dat kunststukje op de 1500 meter (3.28,0). Ook op de andere afstanden (500, 3000 en 5000 meter) wordt ze later 's werelds snelste vrouw. Ze verbetert in totaal negen keer een wereldrecord en zestien keer een Pools record.

Om erkenning te krijgen, schrijft de inmiddels getrouwde Zofia, onder de naam Nehringowa, in voor mannenwedstrijden. Op 8 januari 1932 start zij in Davos, daags voor het Europees kampioenschap mannen, voor het eerst bij internationale wedstrijden. 'De rijders waren over de deelname van een dame bij een wedstrijd voor heerenrijders niet erg te spreken', staat later in een gedenkboek te lezen. 'Niet sportief was een Oostenrijker, die tegen de Poolsche had geloot en niet aan de start verscheen. Zoo lang de scheidsrechter, die de leiding heeft, met het reglement in de hand goedkeurt dat eene dame medeloot om haar startnummer, past het een rijder, die aan den start komt, niet te weigeren om te starten.'

In een krant wordt die rijder, Moser, juist een 'zeer galanten Weener' genoemd. 'Deze wilde een dame niet een of meer banen lappen en zag van starten af.' Over de prestatie van Nehringowa oordeelde het dagblad wisselend: 'Zij reed haar baan goed uit. Houding van romp was goed voorover en de bochten gingen ook goed. Zij heeft een goeden slag. Alleen zwaait zij te veel met haar lichaam en ontwikkelt ons inziens onvoldoende kracht.'

Haar tijd (6.39,2) is in de uitslag evenwel niet terug te vinden. Ook op de lijst van het EK komt Nehringowa tussen de mannen niet voor. Toch reed ze op de 500 meter zelfs tegen de latere kampioen, de Fin Clas Tunberg. Een krant schreef: 'Frau Nehringowa ging met den wind in de rug te snel de tweede bocht in, kon zich niet meer houden en viel. Zij reed later over en reed 59 seconden.' Na de tien kilometer ('waarbij het zo koud op de baan was geworden, dat behalve de rijders en de officials er niemand meer op de baan te zien was') reed ze buiten mededinging een 1000 meter.' Haar doorzettingsvermogen was de nationale schaatsbond niet ontgaan. Met zo'n troef in handen maakte de Poolse delegatie zich natuurlijk sterk voor de invoering van een eigen kampioenschap voor vrouwen. Pas op het congres van 1935 ging de Internationale Schaatsunie (ISU) overstag. Helemaal van harte ging dat niet 'omdat verschillende congressisten van mening waren dat de hardrijsport zich niet voor dames eigent'. Opvallend genoeg ontbrak Polen bij de eerste drie WK's. Pas in 1939 deed Nehringowa voor de eerste en tevens laatste keer mee. Mede door een val werd de viervoudig Poolse kampioene slechts vijfde.

Nehringowa overleed in 1972 op 62-jarige leeftijd.

BEREKENINGSWIJZE Hoe is het nu mogelijk de ontwikkeling van mannen- en vrouwenrecords op verschillende afstanden met elkaar te vergelijken? Een seconde op de 500 meter is immers een andere dan die op de 5000 meter. Op de korte afstand geeft een schaatser meteen alles, op langere afstanden moet de energie worden gedoseerd.Die berekening is als volgt tot stand gekomen. Door de lijnen met recordtijden vanaf 1936, toen de vrouwen echt begonnen, tot heden is een fictieve rechte lijn getrokken. (Voor de liefhebbers: volgens de methode van de 'kleinste kwadraten'). En wel zodanig dat deze lijnen zo min mogelijk afwijken van de werkelijkheid. Hoe schuiner een lijn, hoe sneller de ontwikkeling van de records. Door de hoeken van de mannen- en de vrouwenlijnen van elkaar af te trekken, ontstaat een maat voor het tempo van toenadering die op elke afstand kan worden gebruikt. Zo kon worden geconstateerd dat de toenadering op de 3000 meter het snelst gaat, want daar is het verschil tussen de hoeken van de mannen- en vrouwenlijn het grootst en naderen de lijnen elkaar dus het snelst.

mailIcon print |