*

 
dossier

Archief

Met het inzetten van de dooi is al dat ijs niet zomaar weg

Door: redactie − 14/01/97, 00:00

Van een onzer verslaggevers DE BILT - Voor het uitspreken van een kruiverwachting is het nog te vroeg. Het ijs op het IJsselmeer is nog veel te dik om door de wind aan stukken gebroken te worden en op sjouw te gaan naar een pittoreske dijk. In ieder geval, zegt Herman Wessels van de afdeling waarnemingen en modellen van het KNMI, is het ijsdiktemodel niet voor dat grillige natuurverschijnsel gemaakt.

Dat het ijsmodel voor de komende dagen een gestaag slinkende ijsvloer voorspelt (en het is bij dooi nog wat nauwkeuriger dan bij aanvriezen) hoeft schaatsers niet te verdrieten. “Je ziet niet zelden dat de vorst half januari een dip krijgt. Als het eventueel volgende week weer gaat vriezen, terwijl er nog vijftien centimeter ligt, staat iedereen weer snel op de schaats.”

Het ijs zal er baat bij hebben gehad: scheuren zijn volgelopen met regen- en smeltwater, de plassen die zich hebben gevormd op plaatsen waar het ijs iets doorgezakt was, vullen die holten dan mooi op met vers ijs. “Bovendien is ijs dat op nul graden komt een stuk slapper. En omdat het wil drijven zal dat ook de golvingen uitvlakken die op den duur in de ijsvloer zijn ontstaan.”

Maar totdat zo'n nieuwe vorstperiode aanbreekt, raakt de ijsvloer van boven en beneden volume kwijt. Dat gaat vaak minder hard dan het opvriezen. Tijdens een koude vriesnacht is het ijs, met altijd een waterlaag van nul graden eronder, warmer dan de lucht erboven. Lucht die die warmte opneemt, stijgt op en wordt vervangen door nieuwe koude. Tijdens dooi gebeurt het omgekeerde, als het tenminste niet te hard waait: door het ijs afgekoelde lucht blijft op het oppervlak liggen, het afschermend van de warmere luchtlagen erboven.

En als het niet al te warm is, een paar graden boven nul bijvoorbeeld met niet te veel zonneschijn, weet het ijs soms zelfs nog aan dikte te winnen doordat de verdamping van water en ijs aan de bovenkant per saldo voor afkoeling zorgt.

Ondertussen loert nog wel een vijand aan de de onderkant: stroming. Die speelde ook al een rol toen het nog vroor, zoals het rayonhoofd van Sneek zich nog zal herinneren. Maar als het gaat dooien komt de waterhuishouding pas goed weer in beweging, en zullen de gemalen die het waterniveau in Nederland moeten houden, toch weer aan het werk moeten.

Veel sneller gaat het op de rivieren: het zetten (sluiten) van de stuwen zorgt voor een snelle stijging van het waterpeil, tegen het beweeglijke en relatief warme rivierwater - van een graad of vier - zijn de ijsschotsen maar kort bestand.

Alleen een ijsdam kan langer weerstand bieden. Een grote massa ijs biedt in dat geval wind en water een relatief klein oppervlak. Net als auto's op de oprit van een te krap bemeten snelweg houdt ook de warmte voor die barrière een tijdlang halt. Op dezelfde manier kan, als het er eenmaal van komt, kruiend ijs nog blijven liggen terwijl het IJsselmeer de lente al ruikt.

mailIcon print |