Van een onzer verslaggevers DEN HAAG - De minister van binnenlandse zaken moet meer invloed krijgen op de politie. Daartoe moet hij afspraken kunnen maken met korpsbeheerders en ruimte hebben om hen aan die afspraken te houden.
Voorzitter Opstelten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zei dit gisteren voor het Radio 1 Journaal. Volgens hem kan er 'geen misverstand over bestaan' dat de minister, met de Kamer, prioriteiten over politie- en veiligheidsbeleid moet kunnen stellen en dat de politiek er verzekerd van moet zijn dat die in de praktijk wordt gebracht.
Met een jaarlijkse afstemming tussen korpsbeheerders en minister kan al veel worden bereikt, meent hij. “Je kunt er een convenant voor afsluiten en afspraken maken. Maar je moet ook kunnen laten zien dat je die afspraken bent nagekomen, dat er resultaten zijn geboekt.”
In de aanloop naar de evaluatie van de Politiewet in de Kamer zegt Opstelten dat, los van de regionale verschillen, een landelijk beleid mogelijk moet zijn. “Hier en daar de teugels centraal wat aantrekken. Dan bereik je dat je één politie krijgt. De minister van binnenlandse zaken staat aan het hoofd. Hij zet de lijnen uit.”
De Rotterdamse burgemeester Peper wees deze week centrale aansturing juist af. Peper, korpsbeheerder van de politie Rotterdam-Rijnmond, noemde centralisatie “niet praktisch, te afstandelijk en te ingewikkeld”. Hij staat 'korte lijnen' voor, die de korpsbeheerders beter in staat zouden stellen hun (regio)-korps doelmatiger en effectiever te beheren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.