De auteur is hoogleraar adoptie en directeur van het Adoptiecentrum, Sociale faculteit, Universiteit Utrecht.
Toch is het natuurlijk raadzaam om geregeld na te gaan of deze conclusie geldig blijft. De Nederlandse Gezinsraad heeft daartoe vorig jaar onder 1000 Nederlandse gezinnen - gehuwden (95 procent) of samenwonenden (5 procent) van jonger dan 50 jaar die thuiswonende kinderen hadden - een telefonische enquête gehouden. De titel van het na dit onderzoek uitgekomen persbericht sloeg de spijker op de kop: 'Nederlandse ouders tegelijk tolerant en traditioneel'.
De Nederlandse ouder blijkt namelijk ten aanzien van de verschillende leefvormen op het eerste gezicht een heel tolerante houding aan te nemen. Zo wil een meerderheid adoptie door alleenstaanden, samenwonenden of homoseksuele paren mogelijk maken, en wordt het voor kind en gezin beter geacht dat beide partners werken.
Dezelfde mensen vinden tegelijk een-oudergezinnen en gezinnen waar beide ouders fulltime werken problematische gezinsvormen.
Een soortgelijk verschil doet zich voor op het punt van de naamgeving. Zeventig procent vindt het best dat het kind de naam van de moeder krijgt, maar al hun kinderen dragen feitelijk de naam van de vader. Als er tussen de ouders een conflict over de naamskeuze zou zijn, kiest slechts 10 procent voor de naam van de moeder.
Men vindt dus dat de verschillende gezinsvormen wel gelijkberechtigd dienen te zijn, maar acht ze voor de samenleving niet gelijkelijk gewenst. Zou het begrip 'politieke correctheid' zelfs bij zo'n telefonische enquête een rol spelen? Dat zou in ieder geval verklaren waarom men aan de ene kant een prachtige tolerantie aan de dag legt, maar aan de andere kant in het eigen leven en voor de eigen kinderen niet voor die politiek correcte - en naar mijn mening modieuze - opvattingen kiest.
Verklaring
Ongeveer tegelijk met het onderzoek van de Gezinsraad verscheen het rapport 'De verzwegen keuze van Nederland' van het Wetenschappelijk instituut voor het CDA. Impliciet wordt de politici en beleidsmakers daarin verweten dat zij het 'gewone' gezin veel te lang buiten de agenda hebben gehouden. Dat verwijt is mijns inziens volkomen terecht en ik zie een betrekkelijk eenvoudige verklaring voor dit tekortschieten.
Een politieke functie als lid van het kabinet of van de Tweede Kamer is de laatste decennia steeds moeilijker te combineren met de zorg voor opgroeiende kinderen. Vroeger konden deze politici rekenen op een echtgenote die zich volledig inzette voor het management thuis, de zorg voor de kinderen en het aanhouden van de noodzakelijke sociale contacten. De laatste decennia willen echter juist de hoger opgeleide vrouwen, volgens in het CDA-rapport aangehaald onderzoek, steeds vaker betaalde arbeid buitenshuis verrichten. De vrouwen van politici zijn veelal zelf hoog opgeleid. Juist zij zullen dus steeds sterker laten blijken, dat er voor hen naast het gezin nog meer is.
Van hun drukbezette echtgenoot verlangen zij vervolgens een grotere deelname aan gezinstaken. Niet alle politici hebben dan, zoals minister Zalm, de moed om gewoon te zeggen dat men om gezinsredenen de vergadering moet verlaten, dat men naar huis moet. Of zoals Wallage (PvdA) en Wijers (D66) enkele weken geleden in deze krant duidelijk maakten, dat men vanwege de kinderen niet meer een plaats in de regering ambieert.
Ik vrees nu dat de beslissing van deze laatste twee politici op een ongewenste trend wijst. Het gevaar bestaat dat het Nederlandse volk in de toekomst in hoge mate geregeerd zal worden door vrijgezellen en mensen die nooit de zorg voor kinderen hebben gehad. Voor het functioneren van onze democratie en de kennis over en het beleid voor een zo essentieel gegeven als 'het gezin' is dit een buitengewoon weinig aanbevelenswaardige situatie.
Ministerie gezinszaken
Zou de door mij gevreesde trend er echter al niet zijn? Via een betrekkelijk eenvoudig uit te voeren onderzoek is de burgerlijke situatie van de politici van bijvoorbeeld de laatste vijfentwintig jaar gemakkelijk na te gaan. Ik verwacht dat er een duidelijke samenhang is tussen de aard van deze burgerlijke situatie en het stemgedrag over onderwerpen die rechtstreeks met het gezin te maken hebben. Ik denk dan aan de mogelijkheid van kinderopvang, omgangsregelingen en de plaatsing ter adoptie van kinderen bij alleenstaanden en homoseksuele paren. In ieder geval is het instellen van een ministerie voor gezinszaken hoognodig.
Laten de politici en ambtenaren van dat nieuwe ministerie eraan gaan werken dat allerlei barrières die de door de bevolking meest gewenste gezinsvorm, het 'gewone' twee-oudergezin, in de weg staan, zoveel mogelijk worden opgeheven. Ik denk bijvoorbeeld aan slecht geregelde kinderopvang; niet functionerende omgangsregelingen ouder-kind en kinderen onderling; te lage lonen voor het éénouder-kostwinnerschap. Gezinsrampen zoals wij in extreme mate de laatste maanden meemaken, zullen dan in aantal en intensiteit afnemen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.