*

 
dossier

Archief

Concertgebouworkest doet Maderna tekort

FRANZ STRAATMAN − 21/10/96, 00:00

AMSTERDAM - Pure poëzie stroomde er vrijdagavond uit de hobo van Han de Vries. Hij droeg op het podium van het Concertgebouw de solo-partij voor in het derde concert voor hobo en orkest van Bruno Maderna. De Vries bracht het daar in 1973 in première, kort voor de dood van de componist, met het Radio Filharmonisch Orkest. Nu klonk het bij het Concertgebouworkest, blijkbaar niet voor het eerst, want het sterretje ter aanduiding van 'eerste uitvoering' ontbrak.

Wie het er eerder speelde, kan ik mij niet herinneren. Maar wel diep ingeprent in de memorie zit die première, omdat de pers destijds de repetities kon bijwonen en het belang van het werk al vóór uitvoering duidelijk werd. Die première werd een triomf voor De Vries, maar vooral voor Maderna. Speelde het sentiment mee bij de luisteraars omdat bekend was dat Maderna (die zelf dirigeerde) het laatste stadium van longkanker had bereikt? Hij stierf vier maanden later.

Na 23 jaar is dit hobo-concert waardevast gebleken. Expressieve schoonheid sprak uit alle maten, zelfs uit die waarin de solist alleen op zijn mondstuk blies met op de achtergrond een mystieke strijkersklank. De solo-partij beweegt zich in deze compositie als een zelfstandig gegeven, statig en zingend, door steeds anders gekleurde landschappen. De solist is de dichter, de 'mond' van de humane kunstenaar die Maderna was.

Een humane kunst die in de brede, toch persoonlijke en spannende formulering van dit stuk meer mensen aanspreekt dan één zaal intekenaars op de Première-serie.

Dat maakt mij eigenlijk boos op het Concertgebouworkest. Want dit werk vormde de eerste hoofdschotel op het 'première'-programma; de tweede hoofdschotel was al in 1917 (!) bereid door Igor Stravinsky: 'Chant du rossignol'. Ook niet voor het eerst. De première gold een voortleuterend orkestwerk van de 25-jarige Brit Thomas Adès; uit een melig melodietje (à la 'Moeder er ligt een kip...') brouwde hij brave variaties in ritme, sterkte en instrumentatie. '...but all shall be well' heette dit schoons!

Waarom moet een zo voortreffelijk werk als Maderna's concert nog steeds verkeren in het ghetto van 'moderne' muziek? Waarom moet een solist zo'n stuk (het blazen van de lange en hoge noten vereist een geweldige voorbereiding) voor één concert instuderen? Waarom krijgt een klasse-dirigent als Hans Vonk één concert met een veeleisend repertoire, waardoor de mogelijkheid ontbreekt dat zo'n gevoelig Maderna-stuk rijpt; het mysterieuze karakter brak onvoldoende door het grofstoffelijke realiseren van de partituur. Waarom mag een 'sterdirigent' als Gardiner vanaf volgende week gesneden koek op reuzenschalen serveren? Wat is dit voor voos artistiek beleid?

Kortom: het Concertgebouworkest beledigde Maderna eerder dan dat het hem recht deed. Notabene de man die geraffineerd oudere muziek met moderne werken programmeerde, en die ver stond van het ghetto-idee waar het Concertgebouworkest maar niet van los komt. Eigenlijk hadden zowel Vonk als De Vries medewerking moeten weigeren. Want Maderna's hoboconcert hoort gewoon in de hoofd-series van het orkest thuis. Ja, een 'Anachronie I' van Louis Andriessen uit 1965 (destijds blasfemie, nu hooguit geinig en knap gemonteerd), is als amuse bouche voor de Première-serie leuk. En Adès hoort niet thuis bij het Concertgebouworkest. Dan kan het beter een stuk van Cornelis Dopper uit de kast halen.

mailIcon print |