Van een onzer verslaggevers DEN HAAG - Juridisch was er niets mis mee, toch was de verkoop van geroofde Joodse spullen door ambtenaren onder elkaar 'ongepast'. Dat oordeelt de commissie-Kordes die de naoorlogse verkoop van de kleinoden moest onderzoeken.
Commissie-voorzitter F. G. Kordes verwijt de ambtenaren van financiën die in 1968 de Joodse spullen onderling verkochten “gebrek aan inzicht, gemis aan gevoel en onvoldoende besef dat die spulletjes, die goederen hadden toebehoord aan Joden die waren vermoord”.
De verkoop op het Amsterdamse agentschap van het ministerie van financiën kwam vorige maand in het nieuws nadat kort tevoren een verloren gewaand archief van geroofd Joods bezit was opgedoken in een verlaten kantoorpand. In de opwinding daarover vroeg minister Zalm van financiën aan Kordes, oud-president van de Algemene Rekenkamer de zaak te onderzoeken.
Met de archieven is de commssie nog niet klaar. Over de verkoop van de spullen heeft Kordes wel zijn oordeel gevormd: “ongepast”.
Het ging om persoonlijke spullen, variërend van stofzuigers tot gouden oorbellen, waarvan de eigenaren of hun erfgenamen niet meer konden worden getraceerd, zoals het heette, aangezien zij naamloos waren geëindigd in vernietingskampen.
De meeste spullen die de Joden hadden moeten inleveren bleken na de bevrijding verdwenen te zijn. Volgens de commissie-Kordes is er hard gewerkt om de resterende spullen terug te geven aan overlevenden. Toch bleef er nog wat over, spullen die in officiële rapportages amper omschreven werden omdat ze van “geringe betekenis” waren. Ze belandden uiteindelijk bij het agentschap van het ministerie van financiën in Amsterdam.
Bij een verhuizing in 1967 is volgens Kordes kennelijk besloten die laatste spullen te verkopen. “Kennelijk”, zegt Kordes, want de commissie heeft niet kunnen achterhalen wie dat besluit wanneer heeft genomen. Het eigen personeel van het agentschap mocht erop intekenen en er werd geloot om de meest gewilde dingen. De prijs was gebaseerd op een taxatie van tien jaar eerder.
Juridisch klopte alles, vindt Kordes. Er was ook geen geheimzinnigheid over. Alles is keurig gemeld en opgeschreven. Kordes: “Er was sprake van een bureaucratische aanpak, het menselijk aspect was onvoldoende. Maar achteraf praten is makkelijk.”
Hij had het beter gevonden als het agentschap in overleg met het Joods Maatschappelijk Werk, dat al eerder betrokken was bij dergelijke afwikkelingen, de laatste spullen had opgeruimd. “Er is geen enkele aanwijzing dat er zelfs maar een telefoontje is gegaan naar het maatschappelijk werk”, aldus Kordes.
Er valt niets meer aan te doen, heeft hij geconcludeerd. “Maar belangrijker dan die paar kleinoden is dat Nederland doordrongen raakt van het leed dat de Joden is aangedaan, ook na de oorlog. Dat is nu toch voor een deel vergeten. Meteen na de oorlog raakte dat besef al in de verdrukking door de laatste strijd tegen Japan, en daarna de wederopbouw, Indië.”
De commissie heeft minister Zalm geadviseerd het gebrek aan kennis van het oorlogsleed aan de orde te stellen in het kabinet. “Er is nog altijd een gebrek aan erkenning van wat de Joden is overkomen. Ik laat in het midden hoe je daar iets aan zou kunnen doen. Maar het moet wel gebeuren”, vindt Kordes.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.