Er broeit een vraag in Nederland en die is of de Nederlandse invloed in Europa niet te drastisch afneemt. Onlangs gooide Thijs Wöltgens, oud-fractievoorzitter van de PvdA, wat nationale glazen in door zich gekscherend af te vragen of Nederland als bondsstaat van Duitsland niet meer invloed zou uitoefenen dan als zogenaamd soevereine staat.
De discussie spitst zich dikwijls toe op de vraag of Nederland op het gebied van buitenlandse politiek zijn veto-recht in de Europese Unie zou moeten opgeven, of juist niet, om nog iets van onze invloed te redden. Onze regering is een voorstander van het opgeven van dit veto-recht, Bolkestein is met vele anderen tegen.
Het aardige is dat beide partijen hetzelfde negatieve resultaat verwachten wanneer zij hun zin niet krijgen. Minister Van Mierlo vreest bij handhaving van het veto-recht 'directoraatsvorming': de grote landen zullen het buiten de Europese Unie om, ongehinderd door kleine dwarsliggers, op een akkoordje willen gooien. Bolkestein verwacht hetzelfde wanneer de grote landen hun veto-recht verliezen. Dan juist zullen zij hun eigen gang gaan en met elkaar, met uitsluiting van de kleine landen, samenwerken wanneer hun dat uitkomt.
Gemeenschappelijk hebben Van Mierlo en Bolkestein dus hun angst voor directoraatsvorming, voor het feit dat Duitsland, Frankrijk en Engeland het Europese buitenlandse beleid zullen domineren. Maar dat zal hoe dan ook het geval zijn, veto-recht of niet, meerderheidsbesluitvorming of niet. Een Europees buitenlands beleid, waartegen Frankrijk of Engeland zich openlijk verzet, is gewoon geen Europees buitenlands beleid. Daarvan is alleen sprake wanneer op basis van belangen-overeenstemming deze landen het met elkaar eens zijn. Die belangen-overeenstemming is er vaak niet, dus ontbreekt een gemeenschappelijk beleid. En die lacune is niet op te lossen door wijziging van de methode van besluitvorming.
Ook in ander opzicht is de discussie over het opgeven van het veto-recht vooral een schijndebat. Kunnen we ons een situatie voorstellen waarin Nederland ooit zijn veto zal gebruiken? Bovendien, met een veto wordt hoogstens iets tegengehouden; een gewenst beleid kan er niet mee afgedwongen worden.
De Nederlandse invloed hangt, kortom, niet af van de besluitvormingsprocedure. Die hangt af van de kwaliteit van onze inhoudelijke inbreng en van het diplomatieke talent om steun voor onze ideeën te vinden. Precies aan die beide zaken ontbreekt het. Over de inhoud van een Europese buitenlandse politiek heeft Nederland al heel lang geen uitgesproken ideeën meer. Van Mierlo zou werkelijk badend in angstzweet wakker schrikken wanneer hem in een droom het aanbod gedaan zou worden om een jaar lang geheel eigenhandig en loyaal gesteund door alle lidstaten het buitenlands beleid van de Europese Unie te bepalen.
Omdat het aan behartigenswaardige ideeën ontbreekt, valt het niet zo op dat het ook met het talent om aanhang voor die ideeën te winnen, somber gesteld is. De diplomatieke schade die Nederland opliep toen ons ambitieuze plan voor het Verdrag van Maastricht in 1991 op zwarte maandag faliekant schipbreuk leed, is nog steeds niet hersteld. Integendeel, daarom probeert premier Kok uit alle macht de verwachtingen over een Verdrag van Amsterdam zo veel mogelijk te temperen. Het kan dan alleen nog maar meevallen.
In zo'n situatie is het aangenaam babbelen over het opgeven van het veto-recht. Het is een debat over het inleveren van lege briefjes.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.