De morgen is grijs begonnen. Dikke regendruppels maken bellen in de vijver, die steeds groener wordt door uitgroeiende waterpest, blaasjeskruid en hoornblad. De grote bladeren van gevlekte en Italiaanse aronskelk glimmen tussen het kale groene hout van de rode kornoelje. Over het terras kruipt een huisjesslak, een citroengele met donkerbruine spiraalbanden.
Joris duwt met zijn snuit tegen mijn been. Hij moet er nodig uit. Onder de paraplu stap ik met hem de deur uit. De sneeuwklokjes zijn bijna uitgebloeid en de paarse en witte krokussen zien er in de regen verlept uit. Nu komt de tijd van de magnolia's, de grote Magnolia soulangeana, waarvan de nog gesloten knoppen op witlofstruikjes lijken, en de witte sterbloem-magnolia, net open, maar met zijn vele smalle bloemblaadjes in de regen wat voddig. Evenals de pas ontloken witte bloemtrossen van de Drentse krentenboompjes in het plantsoen.
Joris holt vooruit, blijft om de twintig meter staan om zich uit te schudden. Hij snuffelt op zijn favoriete plekken, vooral aan de boomvoeten die, zo hoog als de grootste reu van de buurt kan pissen, een andere kleur hebben dan de rest van de stam. Hij voegt er hier en daar zijn eigen straaltje bij.
De sterretjes van het speenkruid zijn dicht om het kostbare stuifmeel tegen de regen te beschermen. De bloemen van de draadereprijs, die in de zon grote delen van de grasvelden hemelsblauw kleuren, laten hun bleke onderkant zien, nu ze met gebogen kopjes de nattigheid over zich heen laten komen. Ook zij zijn zuinig op het stuifmeel, dat waardeloos wordt zodra het met water in aanraking komt.
In de kastanjelaan maakt de eerste boom 'handjes': de kleverige donkerbruine knopschubben wijken voor rimpelige groene klauwtjes met rossig dons aan de onderkant.
KLEIN HOEFBLAD
's Middags is het droog. Witte wolken zeilen langs de blauwe hemel. De zon lokt ons de polder in. De zuidwestenwind laat het donkere water in de sloten langs de kade rimpelen. De golfjes vertekenen de heldergroene rozetjes van het voorjaarssterrenkroos op de bodem. De kade is modderig door de regen. Hond noch baas trekt zich er veel van aan.
De gele hoofdjes van klein hoefblad stralen in de berm. Een fluwelig dieprood vosbijtje neemt de tijd om nectar en stuifmeel te verzamelen uit de buisbloempjes in het hart van een hoofdje. Harige geelbruine strontvliegen en gewone zwarte vliegen zijn ook van de partij, zie ik wat verderop. Daar zit ook een pas uit de winterslaap ontwaakte kleine vos op een hoefbladhoofdje. De vosrode vlinder klapt de wieken langzaam open en dicht, open en dicht. Een zwavelgele citroenvlinder dwarrelt voorbij. Dat is gewoonlijk de eerste dagvlinder die in de lente ontwaakt, omdat hij de winter doorbracht in de open lucht, terwijl de vos overwinterde in een stal, op een zolder of in een holle knotwilg.
EEN REIGER
De dolksnavel van de reiger, die roerloos aan de slootkant staat, is geler dan de rest van het jaar, met een lichtrood zweem. Dat hoort bij de broedtijd. Zijn felle bleekgele oog staart argwanend naar de tekkel, maar Joris keurt hem geen blik waardig. Op de smalle kade neemt de vogel toch maar het zekere voor het onzekere. Hij wiekt weg over de vlakke weilanden en strijkt ver weg neer.
Zwarte wolfspinnetjes rennen naar alle kanten over het verdorde gras langs de slootkant, waar ze zich in de lentezon koesterden. Wie weet hoeveel er ten offer vallen aan de driftig heen en weer rennende witte kwikstaart, die negen dagen eerder in de polder terugkeerde. Witte kwikstaarten overwinteren lang zo ver niet zuidwaarts als de gele kwikstaart, die daar mooi staat te wezen op een molshoop aan de overkant van het water. Zijn borst is inderdaad zo geel als een kanarie.
BALTSVLUCHTEN
In de verte duikelen kieviten. Hoog in de lucht gooit een baltsende grutto zich vliegend van de ene op de andere zijde. Het 'to-grut-to-grut-to-grut-to-grut-to-grut...' is een van de heerlijkste lentegeluiden in de polder die ik ken. Vroeger maakten hier ook tureluren hun baltsvluchten, maar de polder is hun nu te droog geworden. Met het machinale schonen verdwenen de drassige slootkanten, waarin ze bij voorkeur foerageren en nestelen. Elders in de streek weet ik nog wel weilanden waar drie of vier paren tureluren broeden, maar dat zijn vogelreservaten, waar de waterstand opzettelijk hoog wordt gehouden.
Snelle goudbruine graafbijtjes bevliegen de paarsblauwe lipbloemen van de hondsdraf, die met zijn geschulpte ronde blaadjes de zonnige kant van een aardhoop bedekt. De grond die nog open was gebleven, is nu bekleed met de rozetjes van de kleine veldkers, een wit en kleiner familielid van de pinksterbloem.
Joris blaft tegen twee bruine akkerhommels, die de bloemen van de eerste witte dovenetel bezoeken. De dovenetels groeien in de luwte van een houten schutting om een moestuintje, omringd door een singel van essen, elzen, berken en meidoornstruiken. In een ondoordringbare meidoorn heeft een merelpaar een nest gemaakt, nog geen halve meter boven de grond. Het bruine vrouwtje zit stevig te broeden. Haar donkerbruine kraaloog staart onbeweeglijk naar de tekkel, maar die doet of hij niets ziet. Ze zit er veiliger dan in de woonwijk, want veel katten komen hier niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.