*

 
dossier

Archief

Niets in de gaten

PETER-ARNO COPPEN − 13/09/95, 00:00

Als we om ons heen kijken, zien we van alles. We kunnen echter pas begrijpen wat we zien doordat we er een hele hoop bij verzinnen. Bij een voorkant verzinnen we de achterkant, bij een incompleet beeld vullen we onbewust het ontbrekende gedeelte aan. Er zijn veel bekende vormen van gezichtsbedrog die hierop gebaseerd zijn.

Het zou eigenlijk bijzonder vreemd zijn als ons taalbegrip heel anders te werk ging. En inderdaad blijkt uit onderzoek dat de taalgebruiker allerlei verborgen informatie in de taal kan herkennen en reconstrueren. De zin is een ware gatenkaas.

Een voorbeeld om onze gatenkennis aanschouwelijk te maken is het volgende. Neem een stukje zin als omdat ik moest kopen. Iedereen die het Nederlands als moedertaal spreekt, zal onmiddellijk aanvoelen dat hier iets ontbreekt. Anders gezegd: er zit een gat in. Waar zit nu dat gat? Natuurlijk op die plaats waar het ontbrekende zinsdeel ingevuld moet worden, tussen het woordje ik en het woordje moest: omdat ik . . . moest kopen. Blijkbaar wil ons taalgevoel dit gat niet zomaar reconstrueren.

Het eigenaardige is nu, dat in op het eerste gezicht vergelijkbare constructies een gat op dezelfde plaats wèl toegestaan is. Zo is bijvoorbeeld omdat ik . . . moest koken best te gebruiken in een goede Nederlandse zin. En er is niet zo gemakkelijk een betekenisverschil tussen koken en kopen te verzinnen dat hiervoor verantwoordelijk is. Als je kookt, kook je altijd iets, en dat is bij kopen precies hetzelfde.

Nog vreemder is, dat de keuze van het voegwoord ook een rol speelt. Vervangen we bijvoorbeeld omdat door dat, dan krijgen we dat ik . . . moest kopen. Dit klinkt al meteen een stuk beter. Behalve dat we nu een mogelijke constructie met betrekkelijk voornaamwoord hebben (het boek dat ik . . . moest kopen), kunnen we ook de bijzin met het voegwoord dat inpassen in een goed lopende zin hoeveel brood zei je dat ik . . . moest kopen?.

De beschrijving van dit soort gatenkennis is het domein van de generatieve grammatica. Deze tak van de taalkunde probeert een beeld te schetsen van de manier waarop wij onbewust de gaten in de zin kunnen reconstrueren. In het voorbeeld hoeveel brood zei je dat ik . . . moest kopen? is de taalgebruiker in staat om een relatie te leggen tussen de woordgroep hoeveel brood en het gat. Blijkbaar kan dat omdat de woordgroep hoeveel brood voor deze relatie beschikbaar is, en de afstand naar het gat niet geblokkeerd is door betekenisvolle woorden als omdat.

Als we de gaten in een zin opvullen met woorden is dat bijna altijd toegestaan, maar in dit geval kan dat nou net weer niet: hoeveel brood zei je dat je iets moest kopen? Waarom kunnen we hier opeens het gat niet meer opvullen?

Een eenvoudige manier om dit te beschrijven is deze: het werkwoord kopen, anders dan het werkwoord koken, staat eigenlijk helemaal geen gaten toe. Het wil per se een lijdend voorwerp bij zich hebben. Een mogelijke constructie is dus je zei dat ik hoeveel brood moest kopen. Omdat in het Nederlands vraagwoorden graag vóór aan de zin staan, verhuist het zinsdeel hoeveel brood tijdens de vorming van de zin in ons brein naar voren toe: hoeveel brood zei je dat ik . . . moest kopen. De aldus opengevallen plaats kan dan natuurlijk niet opnieuw ingevuld worden. Bovendien werpen blijkbaar woorden als omdat bij deze verhuisoperatie een blokkade op.

Het vormen (en begrijpen) van zinnen is hiermee een dynamisch proces geworden. De zin ontstaat in onze hersenen gedeeltelijk onbewust, maar in ieder geval in een aantal generaties. Vandaar de term 'generatieve taalkunde'.

mailIcon print |