*

 
dossier

Archief

NACHTBOEK

ROB SCHOUTEN − 31/01/98, 00:00

Ik stijg gemakkelijk tot grote hoogte en, als het moet, blijf ik daar ook langdurig zweven. Tevens worden mij in een flits grote meesterwerken geopenbaard die ik ga schrijven. Het komt ook voor dat ik ongehoord diep val en examenvragen krijg voorgelegd waar ik geen touw aan kan vastknopen.

Ieder mens spendeert een deel van zijn leven aan dromen waarin hij zonder enige moeite de meest fantastische en gruwelijke dingen beleeft. Ik houd al jarenlang schriften bij waarin ik ze noteer. Zo nu en dan herlees ik die oude dromen en dan zie ik ze moeiteloos weer voor me. Maar vertellen anderen mij soortgelijke verhalen, dan herken ik wel de patronen, vallen, vliegen, naakt over straat lopen, maar ik krijg geen enkel beeld. Daarom is het zo fascinerend om over andermans dromen te lezen: je herkent alle wendingen, euforieën en achtervolgingen, maar toch is het of de ander verder weg is dan ooit, ondergedompeld in een volstrekt persoonlijke iconologie.

Je hebt de grote historische dromen, van Alexander de Grote, Jozef en Nebukadnezar: voorbeeldige dromen, afgerond, betekenisvol, zoals je ze zelf nooit krijgt. Maar daarnaast hebben sommigen hun nachtelijke onbegrijpelijkheden gedetailleerd opgeschreven. Frederik van Eeden bijvoorbeeld in zijn Dromenboek. “Ik droomde van mijn vader en mijn broer en wist niet dat ze dood waren. Mijn vader zat in een hoekje en schreide, hij was bedroefd omdat hij gekibbeld had met mijn moeder”, droomde hij op 22 augustus 1907.

Volgens een fijn kwantitatief Amerikaans onderzoek wordt twee derde van onze dromen bevolkt met kennissen, terwijl twintig procent gewijd is aan familieleden. Soms dromen we van publieke persoonlijkheden, die dan bij voorkeur niets van de gebruikelijke afstand in acht nemen. Van Eeden, 12 mei 1918: “Van 10 op 11 mei droomde ik dat ik Lloyd George bij mij had en hem over 't hoofd streelde, waarop hij vroeg dit te herhalen en aan mijn borst in slaap viel.” Alleen daarom al zou ik wel eens wereldleider willen zijn, om in dromen over de gehele aardbol vertroeteld te worden.

Soms vraag je je af of het leven zelf geen droom is. Bertrand Russell zei daarover: “Ik geloof niet dat ik droom, maar ik kan het niet bewijzen.” Vannacht van Bertrand Russell gedroomd, die in het huis van mijn grootouders met ongelooflijke precisie een sinaasappel zat te pellen. Vandaar.

mailIcon print |