Met de komende kabinetsformatie in zicht is de discussie over de omvang van de defensiebegroting onlangs fel losgebarsten. Zoals Koen Koch in deze krant (13 december) opmerkte levert dat een weinig verrassend beeld op. PvdA en D66 pleiten voor een vermindering van de inspanning, VVD en CDA vinden dat ongepast. Over de inhoud van het te voeren beleid wordt al met al niet veel gezegd. Voorzover er voorstellen voor een andere krijgsmacht worden gedaan, zijn die weinig vernieuwend en rechttoe rechtaan afgeleid uit efficiency-overwegingen.
Geen politicus heeft het tot nu toe aangedurfd om de twee vraagstukken waarom het écht gaat in detail aan de orde te stellen. Kunnen we ons in de eenentwinstigste eeuw nog met een krijgsmacht verdedigen tegen de nieuwe bedreigingen van onze nationale veiligheid? En zijn we bereid om 'eigen' mensenlevens en die van onschuldige burgers in conflictgebieden in de waagschaal te stellen om de internationale rechtsorde te bevorderen?
Er bestaat een onthutsend verschil tussen de intensiteit en de grondigheid waarmee deze vragen binnen de krijgsmacht worden besproken, en het gebrek aan serieuze aandacht die ze in de politiek krijgen. Koen Koch heeft daarop terecht gewezen (Trouw, 20 december) door inhoudelijk in te gaan op het steeds 'ranziger' karakter van het debat. Zijn tegenwerpingen zijn echter nog maar het begin van de publieke discussie die nodig is.
In het professionele debat onder militairen wordt er door velen op gewezen dat de gewapende conflicten van de eenentwintigste eeuw zelden zullen plaatsvinden tussen twee natiestaten (dat is nu al vrijwel nooit het geval). Tenminste één van beide partijen zal bestaan uit een rebellenleger, een terroristische groepering, gewapende leden van een etnische groep of wat dan ook. Voor zover die een bedreiging van ons grondgebied vormen is het de vraag of daartegen een verdediging mogelijk is.
Onze hoog-technologische, informatie-afhankelijke samenlevingen zijn kwetsbaar tegen een heel nieuw type aanvallen, waaraan klassieke wapens niet te pas komen en waartegen een klassieke krijgsmacht dus niet helpt. Aanvallen zoals de bomaanslag op het World Trade Center in New York, die met iets meer pech het financiële verkeer in de Verenigde Staten - en hun partners - drastisch had kunnen ontregelen. Of aanvallen zoals de gifgasaanslag op de metro in Tokio. Voorzover tegen zulke aanvallen maatregelen mogelijk zijn, bestaan die uit het verminderen van de kwetsbaarheid van onze maatschappelijke structuren, of uit het versterken van de publieke moraal zodanig dat we niet door de eerste de beste agressor-nieuwe stijl kunnen worden gechanteerd. Met de krijgsmacht heeft dit alles echter weinig van doen.
Dergelijke beperkingen gelden ook voor de rol van de krijgsmacht en haar strategische concepten bij het beantwoorden van de enige 'klassieke' bedreiging waaraan ons grondgebied nog blootstaat: die van een aanval met kernwapens. Het merkwaardige feit doet zich voor, dat sinds het einde van de Koude Oorlog dit onderwerp van de politieke agenda is verdwenen, terwijl de dreiging juist in de ogen van oprechte gelovigen in de afschrikkingstheorie groter zou moeten zijn geworden.
Immers, in die theorie was de kans dat ze ooit zouden worden gebruikt bijzonder klein, juist omdat de twee partijen die tegenover elkaar stonden in de 'wederzijds verzekerde vernietiging' aanleiding zouden zien om deze wapens niet in te zetten. Vandaag leven we niet meer in zo'n in twee kampen opgedeelde wereld. Wel is het denkbaar, dat de afbrokkeling van de structuren die de Russische kernwapens onder controle hadden, er nog eens toe leidt dat een niet-controleerbare groep ons grondgebied ermee bedreigt, of erger. Ook is het denkbaar, dat andere landen langs de rand van Europa zichzelf kernwapens verwerven, en ons daar mee bedreigen.
Daartegen helpt echter geen vorm van afschrikking, die immers bij 'de andere kant' een bepaalde soort van rationaliteit veronderstelt. Daartegen helpt slechts een kernwapenvrije zone in Europa en de omringende landen. Als een eerste stap op weg naar volledige kernontwapening van de vijf traditionele kernmachten, die nu samen nog ruim 40 000 kernwapens hebben, zou het bovendien helpen om kernbewapening door andere landen geloofwaardig en dus effectief tegen te gaan. De politieke stilte rondom kernwapens duidt erop, dat geen politicus er nog van uitgaat dat ze een zinvolle rol kunnen spelen in het verdedigen van ons grondgebied. Waarom durft niemand het dan aan om de consequentie hardop te trekken dat ze dus de wereld uit moeten, om te beginnen uit Europa en omstreken?
Defensie-analisten, zoals de beroemde militaire historicus Martin van Creveld uit Israël, zijn duidelijk in hun conclusie: de krijgsmacht is een machtsmiddel van natiestaten tegen bedreigingen van een type dat niet langer bestaat. Op een internationaal symposium, onlangs te Rijswijk door de Koninklijke Luchtmacht georganiseerd, ging hij zelfs zover te voorspellen dat in de loop van de volgende eeuw de krijgsmacht zal worden afgeschaft, allereerst die onderdelen die het meest de inzet door en tegen een natiestaat veronderstellen: luchtmacht en marine.
Anderen brengen daar tegenin, dat juist in de huidige wereld een rol voor de krijgsmacht is weggelegd: het handhaven en bevorderen van de internationale rechtsorde. De krijgsmacht kan daaraan bijdragen door vredesoperaties om de voorwaarden te creëren voor verzoening en wederopbouw, en door humanitaire interventies om volkerenmoord te voorkómen.
Dat brengt ons bij de tweede vraag waaromtrent een oorverdovende stilte bestaat: zijn wij bereid om de levens in de waagschaal te stellen van soldaten uit vredesmachten en van burgers in de betreffende gebieden?
Ook over die vraag woedt in militaire vakkringen een intensieve discussie. In Nederland organiseerde de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht twee jaar geleden al een symposium. Daarin werd onder de titel 'Nooit meer vechten?' de vraag aan de orde gesteld hoeveel toekomst zulke vormen van militair optreden nog hebben: de acceptatie van de risico's op slachtoffers onder de westerse publieke opinie lijkt zienderogen af te nemen. Een van de voorgestelde oplossingen is, om militaire concepten en militaire technologie zodanig vorm te geven, dat die risico's geminimaliseerd worden. Door anderen, waaronder mijzelf, is er tijdens de genoemde symposia op gewezen dat deze oplossing een dubieuze is. Ze houdt er te weinig rekening mee, dat gewapende conflicten niet onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden worden gevoerd. Evenmin houdt ze rekening met de mogelijkheid, dat de tegenpartij volgens een andere code terugvecht, zoals de Serviërs deden toen ze Franse gijzelaars vastbonden aan de doelen van multinationale 'chirurgische' aanvallen uit de lucht in Bosnië. Als er sprake zou zijn van verminderde publieke steun vraagt dat versterking van de publieke moraal. En daaraan hebben beelden van slachtpartijen die ons via Artsen zonder Grenzen bereiken en pleidooien van het IKV voor interventie tegen volkerenmoord in Bosnië meer bij te dragen dan welke vorm van militaire hard- of software ook.
Wat er ook zij van deze verschillende standpunten, één ding is zeker: de discussie over deze vragen en oplossingen is een door en door politieke - in alle opzichten behalve één: ze wordt niet in de politieke arena gevoerd, maar slechts onder militairen. Dat die er geregeld ook civiele deskundigen, met andere gezichtspunten, bijhalen, pleit voor die militairen, maar kan politici niet vrijpleiten van de plicht om deze zaken intensief en zonder omhalen te bespreken. Dáárover zou het tijdens de komende kabinetsformatie, en de daaraan voorafgaande verkiezingscampagne moeten gaan. Discussies over het budget behoren daarvan slechts een afgeleide zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.