*

 
dossier

Archief

Wetenschappelijk winkelen

J. HARTOG − 30/01/96, 00:00

Economen drukken groei en alles wat daarmee samenhangt graag uit in cijfers. Kille cijfers zegt de een, waarin de essentie van de werkelijkheid verloren gaat. Nee, zegt de ander, die cijfers ziet als een krachtig uitroepteken achter een meeslepend beeld. Dr. J. Hartog is hoogleraar economie aan de universiteit van Amsterdam

Innovatie, investeren in Onderzoek en ontwikkeling (O & O), is essentieel voor de concurrentiepositie van bedrijven, voor de internationale concurrentiepositie van een land, voor economische groei. Voor sommigen is de stelling zo vanzelfsprekend dat het haast de moeite niet waard is om het nog eens een keer op te schrijven. In het gangpad van onze wetenschappelijke supermarkt waar het bordje 'industriële organisatie' boven hangt, is het een waarheid als een koe. Bij de dynamiek van marktstructuren wordt aan de vitale betekenis van O & O niet getwijfeld.

Een eindje verderop in onze supermarkt hangt het bordje 'groeitheorie'. De gangbaas heeft daar het oude grauwe bordje blinkend overgeschilderd en er trots 'nieuw' aan toegevoegd. En hij heeft zijn bordje verhangen, zodat hij nu naast het straatje zit van economisch-historici. Die deelden hun straatje allang met de 'groeirekenaars'. En samen zoeken ze nieuwe antwoorden op een oude vraag. Wat verklaart de groeiverschillen tussen landen?

Het nieuwe produkt dat nu wordt aangeboden is mogelijk gemaakt door het beschikbaar komen van nieuwe materialen: lange cijferreeksen over economische groei in vele landen, teruggaande tot het begin van deze eeuw of nog verder. Daarmee kan nu worden geprobeerd om het belang van allerlei verklaringen te kwantificeren, uit te drukken in simpele getallen. Niet iedereen is daarvan gecharmeerd. Er zou te veel van de rijkdom aan relevante details verloren gaan. Waar blijven zo de spannende innovatieverhalen? “In 't getal bezwijkt het beeld”, zei de historicus Huizinga, en hij moest er niks van hebben.

In de oude groeitheorie (geboren in de jaren vijftig) hadden we om te beginnen kapitaal als verklaring. Sparen en investeren verhoogt de produktiviteit. Later kwam daar scholing bij. Maar innovatie en technologische ontwikkeling kwamen uit de lucht vallen. Zowel in de theorie als in de metingen was het niet meer dan een restfactor. Gestimuleerd door de nieuwe cijferreeksen en geprikkeld door de krachtige groei in Azië wordt die mysterieuze restfactor nader onder de loep genomen. De theorie probeert nu ook te verklaren hoe produktie en verspreiding van nieuwe kennis verlopen en hoe dat economische groei bepaalt. In een recent overzichtsartikel wordt de Europese groei ontleed voor drie perioden: voor de oorlog (1923-1938), na de oorlog (1950-1973) en na de oliecrisis (1973-1989). Voor de oorlog was de groei gemiddeld 2,12 procent, na de oorlog 3,84 procent, na de oliecrisis 2,14 procent. Dat maakt al meteen duidelijk dat niet de terugval in de groei na de oliecrisis bijzonder was, maar de hoge groei na de oorlog. De gemiddelde groei na de oliecrisis is weer terug op het gemiddelde peil van voor de oorlog.

Voor de groeiversnelling na de oorlog blijken investeringen in kapitaalgoederen en in scholing van groot belang. De groeivertraging na de oliecrisis is niet toe te rekenen aan terugval in investeringen in kapitaal of scholing, maar aan andere factoren. Overheidsconsumptie remt de groei. Hoe groter het aandeel daarvan in het nationaal inkomen, hoe lager de economische groei.

Is er een 'inhaaleffect': groeien landen naar elkaar toe? Kunnen arme landen sneller groeien omdat ze zoveel in te halen hebben? Is er zoiets als de wet van de remmende voorsprong: leiderslanden worden ingehaald? Als je gewoon de groeivoeten van landen bekijkt is er in het algemeen geen sprake van naar elkaar toe groeien, ook al zijn er Aziatische landen met spectaculaire groeiprestaties.

Maar er is wel sprake van naar elkaar toegroeien in het restant. Als je eerst de invloed van kapitaal en scholing verdisconteert, hou je een 'restgroei' over. Daarin groeien landen wel naar elkaar toe. Rijke landen hebben lagere restgroei dan arme landen.

Restgroei en inhaaleffecten zijn wat vage concepten. De nieuwe groeitheorie hamert op het belang van innovaties en op de rol van O & O. Een recente studie uit Antwerpen (van de onderzoekers Nonneman en Vanhoudt) bevestigt dit. Voor het verklaren van verschillen in economische groei tussen 22 Oeso-landen zijn O & O-uitgaven van groot belang. En wat nog mooier is, hun rekenwerk levert hele informatieve getallen op. De auteurs berekenen een rendement op investeringen in kapitaalgoederen van 4,5 procent voor de Oeso-landen en een rendement op investeringen in onderwijs van 7,4 procent. Voor de VS berekenen ze voor de maatschappij een jaarlijks rendement op investeringen in O & O van 20 procent.

In 't getal bezwijkt het beeld? Integendeel, al die prachtige verhalen over innoverende ondernemers en investerende schoolkinderen krijgen pas hun echte overtuigingskracht in de macht van 't getal, als een krachtig uitroepteken achter het meeslepend beeld. Een wereld rijk aan detail en verbeelding samengevat in een enkel getal: O & O-investeringen hebben een rendement van 20 procent. Mooi toch?

mailIcon print |