Ondanks de toegenomen kennis van de aardkorst kunnen geologen in veruit de meeste gevallen niet voorspellen waar zich olie- of gasvoorraden bevinden.
In zijn oratie, afgelopen maandag aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, ging bijzonder hoogleraar geologie prof. dr. R. J. Murris in op het 'ondraaglijke ongelijk van de geoloog'. De meeste grote olie- of gasvondsten (zoals het Groningse gasveld) worden nog steeds bij toeval ontdekt. Het voorspellen van een vondst blijft volgens Murris een “hachelijke zaak”.
Er is volgens de geoloog wel vooruitgang geboekt bij het in kaart brengen van ondergrondse strukturen. Computermodellen worden steeds verfijnder en het risico op een misser neemt hierdoor af. In sommige gebieden is het succespercentage van de boringen met meer dan vijftig procent toegenomen.
Maar dat geldt vooral voor gebieden die al eerder aan onderzoek zijn onderworpen, en waarvan er al de nodige kennis over de plaatselijke petroleumgeologie aanwezig is. In de zogeheten virginbekkens, waar de exploratie nog moet beginnen en de geologen het moeten hebben van grootschalige informatie over de geologische geschiedenis van een gebied, aangevuld met bijvoorbeeld seismisch onderzoek, overtreft het aantal mislukkingen de successen nog steeds vele malen.
Volgens Murris is het haast ondoenlijk om met een computer vooraf te berekenen waar zich de gunstigste omstandigheden voor omvangrijke olie- of gasvorming voordoen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.