*

 
dossier

Archief

Pieter Hofman, Het Muziektheater

EVA VAN SCHAIK − 27/08/98, 00:00

Nederlanders zitten graag voor een dubbeltje op de eerste rij. Pieter Hofman, al tien jaar directeur gastprogrammering van het Amsterdamse Muziektheater, weet er alles van. Jaarlijks moet hij, los van de 220 voorstellingen van de twee vaste huisbewoners, De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet, zo'n vijftig avonden met buitenlandse gastoptredens vullen.

Zo'n drie maanden per jaar reist hij daartoe de wereld af, op zoek naar bezienswaardig, maar vooral ook betaalbaar muziektheater. Dat laatste baart hem zorgen. Tot op heden is het hem aardig gelukt om de gastvrijheid van het Amsterdamse Muziektheater hoog te houden, maar welk ander theater van dat formaat levert voor zo weinig geld zo'n rijk gevarieerd aanbod? Hofman is een man die zijn naam eer aandoet: jammeren en klagen is zeker niet zijn stijl. Hij weet dat hij met zijn hoffelijkheid een grote karigheid moet verhullen.

Sinds de opening van het Muziektheater in 1986 is het budget voor de 'derde poot' met nog geen 10 procent gestegen tot ruim acht ton. “Ja, dat is een minder leuk aspect van mijn ontzettend leuke baan. Dat bedrag staat natuurlijk in geen verhouding tot de flagrante kostenstijging van zowel de internationale producties zelf als de daarmee gemoeide reis- en verblijfkosten. Onlangs heb ik becijferd dat mijn budget zeker twee maal zo hoog moet worden wil ik hetzelfde kunnen blijven doen als twaalf jaar geleden. Die kruideniersmentaliteit heeft onder andere tot gevolg dat ik me moet beperken tot groepen met gemiddeld vijftien leden. Dat verklaart meteen de duidelijke toename van buitenlandse dansgroepen onder onze gasten. Toch blijft het mijn streven minstens een opera per jaar te brengen.”

Sinds 1986 haalde Hofman al meer dan zeventig gezelschappen uit alle werelddelen naar het Muziektheater. De bonte stoet werd destijds geopend met de Bolsjoi-balletdansers uit Moskou. Afgelopen mei zwaaiden er nog dansers uit Melbourne aan meterslange touwen over het podium. Niets is Hofman meer vreemd. Hij koos voor butoh en ballet uit Tokio, hitsige flamencodansers uit Sevilla, postmoderne bewegers uit New York, maar ook voor studenten uit Vietnam, representanten van de Europese avant-garde naast authentieke folkloristen uit Azië, de opera's van Robert Wilson en Philip Glass tot de Shaanxi Qin Opera uit Peking of het ballet uit Frankfurt.

Terugkijkend op de indrukwekkende gastenlijst beaamt hij zijn 'gepaste trots'. Hoe bedenkelijk zijn financiële armslag ook is, er kleeft één voordeel aan. Het ontsloeg hem van de gedachte om ook gezelschappen als het Royal Ballet of het New York City Ballet te programmeren. “Zij kosten zeker een ton per avond. Maar er blijft nog meer dan genoeg over, hoor! Ga er maar gerust van uit dat ik voor elke gastproductie zeker negen andere heb gezien. Ik streef naar variëteit, maar constateer overal ter wereld eenzelfde ontwikkeling: in de gigantische toename van het aanbod kunnen de groten zich kwantitatief gesproken nog amper staande houden. Van alle producties die ik naar Amsterdam haalde is 'The black rider' van het Thalia Theater nog altijd mijn favoriet gebleven. Dat was zeven jaar geleden, maar voor mij bleef dat het voorbeeld van eigentijdse multimedia met een lage drempel en een hoge kwaliteit.”

“Grofweg drie jaar van tevoren weet ik welke vijftig dagen ik verspreid over zeven clusters in het hele seizoen krijg toegedeeld. Dan wordt het parcours uitgezet waarlangs ik moet slalommen. Van de kant van De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet kan ik gelukkig op veel loyaliteit rekenen. Maar ook voor de technische dienst is dat buitenlandse aanbod heel inspirerend. Overal signaleer ik branchevervaging. Choreografen en regisseurs, maar ook filmers en componisten zoeken nieuwe mengvormen, beslist niet uit gemakzucht maar als een bewuste keuze. Ik begon aan deze baan met meer kennis van toneel dan van dans, maar mijn kritisch oog voor fysiek theater had ik wel al ontwikkeld in de tijd dat ik nog bij het Ro-theater met Franz Marijnen werkte. Ik weet wel zeker dat hij mijn smaak beïnvloed heeft.”

“Eigenlijk weet ik niet zo goed wat mijn selectiecriteria zijn. Ik kies instinctief en - minstens zo belangrijk - altijd alleen. Hoewel ik wel kritieken lees, laat ik die nooit doorslaggevend zijn. Bovendien zijn die vaak zo tegenstrijdig... Ik wil in elk geval mijn eigen weg gaan, ben het liefst mijn eigen raadgever. Want als er dan iets fout mocht uitpakken, weet ik tenminste dat ik het bij mezelf moet zoeken. Bij 'Towering inferno' van Kaddish liet ik me bijvoorbeeld misleiden door de contexst waarin ik die producties voor het eerst zag. Hier in Amsterdam bleek het van geen kant te werken. Verder bezoek ik zelden of nooit festivals, want dan voel ik me te opgejaagd door andere programmeurs die in mijn nek staan te hijgen. Uiteindelijk ga ik af op wat mij intuïtief aanspreekt en waarvan ik denk dat het voldoende kwaliteit heeft om in dit theater te staan. De uitstraling, de gedrevenheid van de makers zijn zeker richtsnoeren, maar ook de ontwikkelingsfase waarin een bepaalde groep of een gehele podiumdiscipline zich bevindt.”

“Hooguit 10 procent van mijn gastgroepen wil ik voor recycling in aanmerking laten komen, bijvoorbeeld Rosas, Bill T. Jones, Sankai Juku, Lalala Human Steps. Maar dit jaar verwacht ik ook veel van de nieuwe samenwerking van Philip Glass en Bob Wilson. Die twee zijn beslist niet stil blijven staan: ditmaal maken ze gebruik van driedimensionale film en van de laatste ontwikkelingen in computor-graphics. Evenzeer verheug ik me op de eerste samenwerking met Toneelgroep Amsterdam. Na jarenlange voorbereiding kozen Gerardjan Rijnders en Boudewijn Tarenskeen tenslotte voor de sonnetten van Shakespeare. Overigens probeer ik de hegemonie van westers theater wat in te dammen. Voor dit jaar selecteerde ik daarom dansers uit Bali, als vervolg op de hofdansers van de Kraton Surakarta in 1996.”

Hofman erkent dat grote verrassingen meer dan vroeger uitblijven. “De jaren tachtig waren verpletterender, maar dat zal ook met mijn afgenomen onbevangenheid te maken hebben. Stunts raken me minder dan vroeger, ondanks het overstelpende, fenomenale karakter. Ik kan echt veel meer in de ban raken van wat een choreograaf met slechts twee mensen, een simpel bankje en wat spots op dat immense toneel kan veroorzaken.”

“De afweging van het publiek om wel of niet te gaan blijkt steeds later plaats te vinden. Voor ons is dat wel lastig. Vaak lijkt het geheel toeval of de zaal volkomt. Daar staat weer tegenover dat ik minder last heb van publieksvergrijzing dan bijvoorbeeld het Concertgebouworkest of Het Nationale Ballet. Veel moeilijker acht ik de tendens dat mensen steeds sneller bevredigd willen worden, en dus ook steeds sneller naar nieuwe bevredigingen zoeken. Voeg je dat bij ons gebrek aan theatertradities zoals die nog wel in Londen en Parijs gelden, dan is het Nederlandse publiek heel actief, open voor artistiek avontuur. Maar ik geef toe, er is mondiaal een generalisering gaande. Ook mij bekruipt wel eens het gevoel dat er een soort hijgerige wedloop dreigt, waarbij steeds minder plaats lijkt voor bezinking.”

mailIcon print |