NEDERLAND SINDS EEN JAAR OF DERTIG 'CALVINISTISCH'?
De verklaring voor het verschil ligt vooral in de vraag zelf. Ze is voor tweeerlei uitleg vatbaar, al naar gelang de betekenis die men aan calvinistisch toekent. Vroeger verwees het woord naar de ideeen van Calvijn en/of de doorwerking daarvan in kerk en maatschappij. In deze zin zou het calvinisme - om een onder Kuyperianen populaire formulering aan te halen - sinds de Reformatie 'de grondtoon van ons volkskarakter' hebben uitgemaakt. Achter deze opvatting schuilt een beeld van de vaderlandse geschiedenis dat onhoudbaar is gebleken. 'In de 16e en 17e eeuw vormden de calvinistische gereformeerden een minderheid die weliswaar invloedrijk was, maar zeker niet de Nederlandse cultuur in haar geheel naar haar hand wist te zetten', zo resumeert Henk te Velde in Groniek de bevindingen van de historicus G. J. Schutte (VU), die de kwestie diepgaand heeft bestudeerd.
Wat betekent calvinistisch tegenwoordig? Onder meer 'sober, rechtlijnig, dogmatisch', zegt Van Dale in een omschrijving die in de editie van 1976 nog niet voorkwam. Dit is vermoedelijk de meest gangbare betekenis geworden, buiten de kring van beroeps- en amateurtheologen. Te Velde situeert de opkomst ervan in de jaren dertig, toen sommige sociaal-democraten zich van het woord begonnen te bedienen om afstand te nemen van moralistische en ascetische AJC'ers.
Op het Nederlandse volk als geheel, of in meerderheid, sloeg het etiket nog niet. Dat werd destijds, door typologen van diverse pluimage, bij voorkeur gekenschetst als burgerlijk - een woord dat nu zijn neutrale klank geheel verloren lijkt te hebben, enkele vaste uitdrukkingen daargelaten. In de jaren zestig maakte burgerlijk als algemene typering plaats voor calvinistisch, schrijft Te Velde, omdat degenen die zich aan de verzuiling ontworsteld hadden, dit een steviger diskwalificatie vonden van 'het naar hun smaak overdreven en zelfs zinloze moralisme van anti-revolutionairen, katholieken en AJC'ers'.
Als term die niet een overtuiging etiketteert, maar een stijl van denken en handelen veroordeelt, toonde calvinistisch zich in de jaren zeventig ruim toepasbaar - ook op 'al dan niet christelijke dominees en kapelaans', zich roerende in de vredesbeweging. Inmiddels is het woord, in zijn moderne betekenis, hier en daar in waarde gestegen, lijkt het. Te Velde citeert een schrijver in NRC-Handelsblad die onlangs, de wijd verbreide gokmanie gispend, verzuchtte dat 'de geest van Thomas a Kempis en Calvijn ons voorgoed verlaten heeft'. Slotsom, althans van mij: calvinistisch lijdt zo langzamerhand aan dezelfde kwaal als vele nazaten van de calvinisten - je kunt er alle kanten mee op, behalve, zou Calvijn zeggen, de goede.
Te Veldes artikel staat in een nummer van Groniek dat 'vaderlandse mythen' belicht. Marijke Gijswijt-Hofstra van de Universiteit van Amsterdam neemt 'de Nederlandse tolerantie' voor haar rekening. Een systematische behandeling van dit onderwerp blijkt nogal te worden bemoeilijkt door eenzelfde euvel als waarmee Te Velde kampt: de elasticiteit van het begrip in kwestie. Eeuwenlang hadden de Nederlanders gedacht dat tolerantie verwees naar verdraagzaamheid in geloofs- en gewetenszaken - en in dat opzicht hadden ze zich, althans in vergelijking met het buitenland, nooit diep behoeven te schamen. Dit veranderde, toen in de jaren zestig homoseksuelen zich als voorwerp van intolerantie begonnen te manifesteren. Naarmate de actieradius van het begrip zich verder uitbreidde - tot opinies over etnische minderheden, in sommige onderzoeken zelfs tot opvattingen over druggebruikers en consumenten van pornografie - werd Nederland al maar intoleranter bevonden. Gijswijt kan soms nauwelijks het betekenisverschil meer vaststellen tussen tolerantie en 'termen als menslievendheid of humaniteit'. Misschien had er een aan de 'mythen' die Groniek behandelt, nog eentje moeten worden toegevoegd: het idee dat woorden-vanelastiek handige ijkmaten zijn in de geschiedkunde.
Rekbaar is ook mythe zelf. In zijn diepste betekenis is het een verhaal 'waarin de oorsprong van de wereld of andere dramatische gebeurtenissen van menselijke aard worden verklaard', schrijft H. W. von der Dunk in een inleidend artikel. In het algemene spraakgebruik is mythe gedevalueerd tot 'verzinsel, valse voorstelling' en von der Dunk heeft daar een verklaring voor die niet alleen onder calvinistische gelovigen weinig aftrek zal vinden.
Hij ziet geen principieel verschil tussen 'de mythen bij de antieke volkeren of bij primitieven, en de religie'. Iedere godsdienst heeft mythen nodig. Dat christenen de hunne anders benoemen, “vloeit voort uit de aanspraak op waarheid die de religie voor de gelovige maakt, waardoor hij zich afzet tegen wat in zijn ogen overwonnen, vals of primitief geloof is. Mythen werden zo in het Christelijke denken geassocieerd met de heidens-antieke wereld en daaruit resulteert de geur van bijgeloof en zinsbegoocheling, die nog steeds aan het woord mythe hangt en die de negatieve connotatie verklaart waardoor het een synoniem kon worden voor termen als fabel of legende.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.