*

 
dossier

Archief

EN NU NOG EENS 30 CENTIMETER

HUIB GOUDRIAAN − 12/10/96, 00:00

Bij Neerijnen volgt een gloednieuwe bandijk de meanderende bedding van de rivier. Ruim anderhalf jaar na het hoogwater is het alsof een goochelaar zijn toverstokje heeft bewogen over de verwerkte zes miljoen kubieke meter klei en zand. De eerste 145 kilometers aan dijkvakken zijn bijna gereed in Gelderland, Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Brabant. “Mooi vakwerk, secuur. Toch wacht ons de komende vier jaar een klus van nog eens dik 450 kilometer rivierdijk. Landelijk staan ze er niet bij stil dat die nog niet veilig zijn, daar is het item helemaal weg.”

Herman Kok bereidde april 1995 het volk achter de dijken voor op een variant van Churchills bloed, zweet en tranen: 'een jaar van chaos, modder, stof'. Hij heeft niet beweerd dat het van een leien dakje zou gaan. En terugblikkend formuleert hij volzinnen als: “Mensen, het valt straks tegen, dàt hebben we gezegd. Huizen die mooi wit gekalkt zijn, zullen grijs worden, er zullen dingen gebeuren die u niet aanstaan. Het hele gebied wordt één bouwput!”

En toch, al is de Noodwet een harde wet, “mensen die eerst kritiek hadden, zijn enthousiast geworden.” De voorzitter van de Projectorganisatie deltaplan grote rivieren legt uit hoe vanaf lente 1995 tot einde 1996 - binnen de vastgestelde termijn - probleemloos 145 kilometer zwakke rivierdijk is verhoogd en verzwaard. “Voor dat doel moesten langs Rijn, Waal, Maas en IJssel honderden grondaankopen, gecompliceerde en gemakkelijke, worden afgewikkeld in een heel korte spanne tijds. Als je optelt hoeveel gevallen daarvan uitliepen op bezwaarschriften, hoeveel principiële mensen vonden dat zij onrechtmatig werden behandeld en naar de Raad van State gingen, dan is dat aantal uitzonderlijk laag.”

In zijn eigen regio - Kok is niet alleen cöordinator voor de Unie van Waterschappen, maar ook secretaris/cöordinator bij het Polderdistrict Groot Maas en Waal - is maandag de Bommelerwaard feestelijk 'afgerond'. Daar stonden in januari 1995 enkele dijken op breken. Daarna, in april van dat jaar, kwam de Deltawet grote rivieren tot stand. De wet verplichtte het Polderdistrict Groot Maas en Waal, en twaalf andere waterschappen, de zwakste dijkvakken op deltahoogte te brengen vóór 1 januari 1997. De versnelde aanpak van 12,3 kilometer dijk in de Bommelerwaard heeft zeventig miljoen gulden gekost. Het totale rivierdijkproject, waarvan de urgentste 145 kilometer nu de voltooiing nadert en waarvan 450 kilometer de komende vier jaar aan de beurt is, wordt op twee miljard gulden geraamd.

Ook in het Land van Maas en Waal, gedurende de bijna-ramp van januari 1995 extreem bedreigd en derhalve geëvacueerd (op aandringen van Herman Kok), zijn de dijkenbouwers er hard tegenaan gegaan. Hier, evenals elders in het rivierengebied, juichten de meeste bewoners de dijkverhogingen toe. Al eerder was betoogd voor veilige dijken, maar nu hadden ze oog in oog gestaan met de onberekenbaarheid van de rivieren. Vertegenwoordigers van milieugroepen vonden eveneens dat het overstromingsgevaar moest worden uitgebannen. Wel liepen hen de koude rillingen over de rug bij de gedachte aan rigoureuze onteigeningen, aan bulldozers die charges uitvoerden tegen het lieflijke rivierenlandschap. Met de Noodwet in de hand zouden de waterschappen landschap, natuur en cultuurhistorische waarden - waarvoor in 1993 nog zo warm was gepleit in het eerste rapport van de commissie-Boertien - gemakkelijk onder tafel kunnen vegen.

Niets van dit alles. Herman Kok oordeelt anderhalf jaar later dat de waterschappen absoluut geen misbruik hebben gemaakt van de hun door de Deltawet toegeworpen macht. “Wij hebben landelijk geconstateerd dat de situatie door alle betrokkenen werd geaccepteerd. Zeker, het is een harde wet, waarin de mensen die grond moeten afstaan één keer de gelegenheid krijgen hun mening te geven. Daarop reageert het waterschap dan met een bod, terwijl de betrokken grondeigenaar één keer in beroep kan bij de Raad van State. Maar het aantal beroepen is heel laag geweest. De Deltawet grote rivieren had een maatschappelijk draagvlak. Ook de meer of minder kritische groepen ten aanzien van de dijkverzwaring waren het erover eens: het moet nu. Natuurlijk stonden de mensen na het hoogwater anders, opener, er tegenover.”

“Wij, van onze kant, hebben bij de start ook de risico's onderkend van het over bezwaren heen bulldozeren. Dat had gekund met de wet in de hand. Juist daarom hebben we meer tijd en energie dan ooit gestopt in communicatie, buurtoverleg, dorpsoverleg. Als je zoiets in een sneltreintempo doet, moet je de mensen daarbij helpen, mag je ze niet overvallen. En ik denk dat dit ons is gelukt. Ongetwijfeld zijn er gevallen geweest, waarmee wij of anderen minder gelukkig waren. Maar als de uitwerking van een tekening in het veld anders uitpakt dan je verwacht, dan corrigeer je dat ter plekke. Het te verifiëren beeld in het algemeen is er een van tevredenheid en voldoening, ook bij hen die eerst veel kritiek hadden.”

Dat klinkt bijna alsof een afdeling public relations het hem zo heeft voorgezegd. Maar Koks positieve oordeel wordt onderschreven door mr. Willy van Wel, een in Wamel (Land van Maas en Waal) wonende, doorgaans kritische jurist. Hij steekt onbevangen de loftrompet: “Zover ik het kan overzien, is binnen het kader van de Noodwet rekening gehouden met de adviezen van Boertien. Er zijn vele miljoenen guldens extra uitgegeven voor behoud van natuur, landschap en cultuurhistorische waarden. Ook procedureel is het correct verlopen, grondaankopen zijn netjes geregeld. Voor Kok, die ongenaakbaar overkomt, heb ik respect. De voorlichting was goed, en om die te doen slagen heeft het polderdistrict een bureau voor communicatie in de arm genomen. De snelheid waarmee de dijkverzwaringen gebeurden in aanmerking nemend, noem ik het een perfecte operatie.”

Rudie van Meurs, journalist en auteur van het binnenkort te verschijnen boek Hoog Water (over het rivierenlandschap en de autoritaire waterschappen sinds 1953), is ook al mild gestemd over de uitvoering van de Deltawet grote rivieren. Hij woont al bijna vijfentwintig jaar in een dijkhuis in Herwijnen en sloeg in 1972, als verslaggever van Trouw, alarm over de bij dijkverzwaringen gangbare kaalslag. “Vergeleken met toen leven we nu in een hemel. Volgens de Noodwet moest het eerste bod van waterschap of polderdistrict worden geaccepteerd. Maar over het algemeen viel er over te praten, kwamen de mensen aan hun trekken.”

Van Meurs vertelt dat waar hij woont, onder het Polderdistrict Tieler- en Culemborger Waarden, al vóór de adviezen van Boertien uitgekiende dijkverbeteringsplannen werden bedacht. “Dit gebeurde onder leiding van ir. W. Korf, hoofd bouwdienst Rijkswaterstaat Utrecht, die daarmee het ministerie trotseerde. Bij de huidige dijkverbetering is trouwens in het algemeen rekening gehouden met natuur en landschap, ook door toepassing van nieuwe technieken zoals damwanden.” Hij noemt als voorbeeld de vernieuwing van de bandijk bij Neerijnen, waar strangen en kasteel in oorspronkelijke staat konden blijven. En bomen in de dijken? “Het zegt wel iets dat een honderd jaar oude es in de dijk kan blijven staan.”

Maar ing. Kok lijkt geen applaus van wie dan ook nodig te hebben. Wil je hem niet op zijn woord geloven? “Kom dan zelf kijken! Tegenwoordig wordt al op de eerste dag van een te maken dijkverbeteringsplan een landschapsarchitect naast de technicus gezet. De nu hogere en bredere waterkering krijgt met visuele middelen, door een 'getailleerde dijk' te maken, toch het karakteristieke steile beeld van de rivierdijk. Heus, het rivierlandschap zal de toets der kritiek kunnen doorstaan, al moet je de natuur wel de tijd geven voor herstel van de vegetatie.”

Zit het met het uiterlijk van de dijken dus wel goed, anders ligt dat nog met hun allereerste functie: het rivierwater in de bedding houden. Wat Kok dwarszit en verontrust, is dat het ministerie van verkeer en waterstaat geen klare wijn schenkt over de mogelijkheid 'de goot uit te diepen', het rivierbed te verlagen. De waterschappen willen weten of dit alternatief voor verdere dijkverzwaringen daadwerkelijk zal worden uitgevoerd. Anders zijn nieuwe dijkverhogingen onontkoombaar, of moeten we leven met een lagere veiligheidsnorm.

“Ik wil weten of in 2000, na afronding van het Deltaplan grote rivieren, het rivierengebied echt veilig is. De hoogte van de nu verbeterde dijken was afgestemd op een hoogste afvoer in de Rijn bij Lobith van 15 000 kubieke meter per seconde. Een afvoer die statistisch één keer in de 1250 jaar is te verwachten. Dat was de norm op basis van het rapport-Boertien. Maar daarna hebben we twee keer hoog water gehad en schoten twee zwarte stippen omhoog op de grafieken. De deskundigen gaven toen het signaal dat de te verwachten hoogste afvoer hierdoor hoger is geworden. Er wordt uitgegaan van 16 000 kubieke meter per seconde en dat betekent een dertig centimeter hogere dijk. Wij hebben er al eerder bij minister Jorritsma op aangedrongen in de komende 450 km dijkverhoging die dertig centimeter mee te nemen. Maar nee, minister Jorritsma wilde zich houden aan de wettelijke regel, één keer in de vijf jaar de norm vast te stellen. Volgens de Wet op de waterkering is dat weer in 2001. Ondertussen, zo meent het ministerie, kan het rivierbed worden verruimd, met een grootschalige inspanning voor, onder meer, verlaging van de uiterwaarden.”

Kok betwijfelt sterk of zo'n “gigantische operatie” levensvatbaar is, en zo ja op tijd gereed kan zijn. “Het publiek rekent erop, dat is afgesproken, dat we in 2000 veilige waterkeringen hebben voor minstens één generatie. Maar als de dijken er geen dertig centimeter bij krijgen, en de toegezegde veiligheid moet worden bereikt met waterstandsverlaging in het rivierbed, dan vrezen wij dat de waterschappen straks de rol van zwarte piet wordt toegespeeld. Waarom? Omdat die reusachtige ontgrondingsoperatie pas in 2050 voltooid kan zijn. Mijn boodschap is daarom: minister, als u er niet in slaagt die dertig centimeter in het rivierbed te vinden, dàn zijn de dijken te laag!”

Herman Kok wordt demagogie verweten. Maar bij zijn boodschap gaat hij uit van het onlangs verschenen rapport 'Integrale verkenning inrichting Rijntakken' van het ministerie van verkeer en waterstaat. In het hoofdrapport daarvan staat dat 'een onveranderd rivierbed en een afvoer van 16 000 kubieke meter per seconde resulteert in een verhoging van de maatgevende waterstanden met 10 à 30 cm'. Vastgesteld wordt dat de afvoer waarop de rivierdijkhoogten nu zijn gebaseerd in 1993 werd bepaald, dus vóór het hoge water van december 1993 en januari 1995. Weliswaar is het effect van klimaatverandering in het stroomgebied van de Rijn, en op de afvoerpieken in Nederland, met veel onzekerheden omgeven, maar juist daarom worden ook ernstiger scenario's opgevoerd, bij voorbeeld een afvoer van 18 000 kubieke meter per seconde bij Lobith. In dat geval komen de hoogste waterstanden zelfs veertig à tachtig centimeter hoger te liggen.

Worden in het rapport daarom niet tal van maatregelen gesuggereerd om door ontgronding van het rivierbed de hoogwaterstanden te verlagen? Herman Kok: “Uit dit rapport van de eigen mensen van de minister is af te leiden dat snel aan deze - overigens volgens Boertien al heilloze - operatie moet worden begonnen, òf dat de dijken hoger moeten. Ik heb dit dilemma niet bedacht. Maar het hoort de grondhouding van de waterschappen te zijn, onze horzelfunctie, te waken voor de veiligheid. Ik trek niet aan de bel omdat we straks nog eens dijken willen ophogen. Integendeel, maar als de dijken straks 30 cm te laag blijken te zijn, en ik heb gezwegen dan zeggen jullie: die waterschappen zijn een stelletje oenen, hadden ze maar eerder gewaarschuwd.”

mailIcon print |