*

 
dossier

Archief

Schrijver worden in Suriname is nog complexer dan taal zelf

BART KAMPHUIS − 28/07/97, 00:00

PARAMARIBO - Achter iedere bron van inspiratie schuilt wel een complicerende factor. De voedingsbodem is rijk, maar moeilijk te bewandelen. Hoe moet het verder met de Surinaamse literatuur?

De jubilerende Surinaamse Schrijversgroep '77 en het Johanna Elsenhout Vrouwendocumentatiecentrum brachten op kosten van het bedrijfsleven en de Nederlandse ambassade in Suriname het afgelopend weekeind ruim tien kopstukken bijeen. 'Schrijverschap 2000 - nationaal of internationaal' was in tenminste één opzicht geen uitzondering op de schier eindeloze reeks symposia, congressen, debatten over hoe het verder moet in de volgende eeuw: de bijeenkomst leverde meer vragen op dan antwoorden.

Het is als een wonderkind dat in de jeugdjaren worstelt met zijn talenten. Suriname heeft prachtige omstandigheden voor een bloeiend literair leven. Mensen uit alle windstreken hebben er hun culturen bij elkaar gebracht, het natuurschoon is overweldigend, de geschiedenis boeiend en uniek en in het hedendaagse valt er op politiek-maatschappelijk gebied ook altijd nog wel wat te beleven.

Maar de praktijk van alledag is dat de grote literaire talenten of in Nederland wonen, of in Suriname lopen te hosselen om hun werk uitgegeven te krijgen, om het vervolgens zelf aan de man proberen te brengen.

De dichter Michael Slory is het sprekend voorbeeld: staande ovatie op het congres, jubelende kritieken in zowel Suriname als Nederland, maar vandaag zal hij waarschijnlijk weer langs de markt lopen om zijn bundeltjes uit een plastic zak te verkopen, om van de opbrengst wat rijst en droge vis te kunnen bekostigen.

Prozaschrijvers hebben het al niet beter. Met al dan niet toegedekte wrok zagen zij hoe Cynthia McLeod tien jaar geleden doorbrak met de historische roman 'Hoe duur was de suiker' - door critici afgedaan als 'Bouquetreeksgeschrijf', maar in Nederland een bestseller en in Suriname de directe aanleiding voor velen om (weer) eens een boek te lezen.

Gevierde en hooggeleerde gasten leverden met lezingen als 'In de huid van Oronooko' (Frank Martinus Arion), 'Grensoverschrijdend nationalisme' (Geert Koefoed) en 'Grensoverschrijdende nationaliteit' (Hugo Pos) geen wezenlijke bijdrage aan het bereiken van het doel van de organisatoren: het verbeteren van de kwaliteit van de Surinaamse literatuur en het verhogen van de productie en afzet van Surinaamse schrijvers. Hooguit werden vingers op zere plekken gelegd.

In Suriname, met nog geen half miljoen inwoners, worden zeker zes talen gesproken. De schrijver die zich in zijn moerstaal uit, heeft in eerste instantie maar een zeer klein potentieel publiek. De auteur die wel direct in het Nederlands werkt, hanteert veelal een Surinaamse variant van die taal, waar de Nederlandse uitgeverij, de sluis naar een groter publiek, nog wel eens de wenkbrauwen bij fronst. Zo wordt de ene na de andere taalhindernis opgeworpen.

De thematiek van de zoektocht naar eigen identiteit, waar Suriname in worstelt en die terug te vinden is in menig letterkundig werk, zou in de internationale tijdgeest van de jaren zestig, zeventig wellicht goed aanslaan, maar heeft voor het publiek over de grenzen in deze tijd van globalisatie haar gloed grotendeels verloren. Het instandhouden van de Surinaamse literaire traditie, en het verder ontwikkelen daarvan lijkt, naast algemene ontwikkelingsprincipes als onderwijsverbetering, vooralsnog vooral een aangelegenheid van aardse zaken als geld en gelegenheid.

Talenten moeten publiceren, en daar liefst ook nog wat geld aan overhouden. Het wetenschappelijk bestuderen en onderwijzen van de Surinaamse letterkunde wordt voor een aanzienlijk deel nog beheerst door Nederlanders, al dan niet aan de Noordzee of in Suriname.

De Surinaamse literatuur heeft haar hoop gevestigd op een onafhankelijke relatie met Nederland, terwijl zich daar juist net de grote groep potentiële lezers bevindt - dat is misschien wel het grootste dilemma waar het Surinaamse schrijverschap mee kampt.

mailIcon print |