Waar is de taalkunde eigenlijk goed voor? Een van de argumenten die in deze discussie telkens terugkomen is de stelling dat taalkundig inzicht kan helpen bij het leren van vreemde talen. Woordjes leren kan iedereen, maar voor het beheersen van de grammaticaregels van een andere taal is een meer abstracte kennis noodzakelijk. Maar wat is dat dan voor inzicht?
Een voorbeeld van hoe een beetje generatief taalkundig inzicht kan helpen bij het leren van vreemde talen is het volgende. In het Engels lijkt een striktere woordvolgorde te bestaan dan in het Nederlands. In een zin als he never thinks about his work during the holidays ligt de volgorde van de woordgroepen about his work en during the holidays vast. De zin he never thinks during the holidays about his work is geen Engels. Het Nederlands lijkt hier wat soepeler: hij denkt nooit tijdens de vakantie aan zijn werk, en hij denkt nooit aan zijn werk tijdens de vakantie. Ook het woordje nooit kan op verschillende plaatsen staan, maar laten we ons even tot de twee genoemde woordgroepen beperken.
Wie wat beter naar de verschijnselen in het Nederlands kijkt, zal ontdekken dat in de bijzin de volgorde ook hier beperkt is: omdat hij nooit tijdens de vakantie aan zijn werk denkt, maar niet omdat hij nooit aan zijn werk tijdens de vakantie denkt. De laatste volgorde is wel een Nederlandse zin, maar dan gaat het om zijn werk tijdens de vakantie, en niet over denken tijdens de vakantie. Met andere woorden: we kunnen geen twee volgordes maken van dezelfde zin.
Hoewel het Nederlands dus wel een volgordebeperking kent, lijkt deze compleet verschillend van het Engels. De tijdsbepaling tijdens de vakantie moet in het Engels achter, en in het Nederlands juist vóór het voorzetselvoorwerp aan zijn werk. Wat is dit voor een raar verschil? Hoe moeten we dit ooit leren?
De overeenkomst tussen het Engels en de Nederlandse bijzin ligt op een wat dieper niveau. De de woordgroep aan zijn werk is namelijk veel nauwer verbonden met het werkwoord dan de woordgroep tijdens de vakantie. Terwijl de laatste een tijdsbepaling is, die je bij nagenoeg iedere zin kunt toevoegen, is de eerste veel karakteristieker. Het voorzetsel aan wordt opgeroepen door het werkwoord denken, zoals op door wachten, of in door geloven.
Woordgroepen die dicht bij het werkwoord horen, willen ook graag dicht bij dit werkwoord staan. Daarom staat in het Engels about his work links, meteen achter het werkwoord, en in het Nederlands aan zijn werk rechts, meteen vóór het werkwoord.
De Nederlandse hoofdzin is een mooi verhaal: we moeten bedenken dat volgens de generatieve taalkunde de hoofdzin wordt afgeleid uit de bijzin. De onderliggende volgorde van de hoofdzin is hij nooit tijdens de vakantie aan zijn werk denkt. Van hieruit wordt het werkwoord naar voren gehaald, en we krijgen: hij denkt nooit tijdens de vakantie aan zijn werk. In iedere Nederlandse zin blijkt het vervolgens mogelijk om de tijdsbepaling helemaal achteraan te plaatsen: omdat hij nooit aan zijn werk denkt tijdens de vakantie. Wanneer we nu vanuit deze volgorde de hoofdzin afleiden, krijgen we hij denkt nooit aan zijn werk. . . tijdens de vakantie.
In een hoofdzin met voltooide tijd kunnen we het nog beter zien: hij heeft nooit tijdens de vakantie aan zijn werk gedacht, en hij heeft nooit aan zijn werk gedacht tijdens de vakantie, maar niet hij heeft nooit aan zijn werk tijdens de vakantie gedacht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.