De langste weg is de reis naar binnen (Dag Hammarskjold)
Vanaf de vroegste tijden en op de meest afgelegen plaatsen komen ze voor, labyrinten, en dat heeft tot veel oncontroleerbare speculaties geleid over een gemeenschappelijke, culturele oorsprong ervan, over de rituele functie, de betekenis.
Het zal wel zo gekomen zijn: ergens in de verre prehistorie gooit een tobberige puber een kei in het water, ziet steeds wijdere kringen wegrimpelen als enig bewijs van de gezonken steen. “Zo grijpt de dood om zich heen”, peinst onze anonieme held. En hij krast wat ronds in het zand.
Het motief van concentrische cirkels is sinds mensenheugenis een symbool van de dood. In doolhoven, door de eeuwen heen getekend, beschreven en gebouwd, is de dood vaak het centrum. Het ganzenbord vormt hierop een uitzondering, want een spelletje moet wel leuk blijven.
“Iemand moest Josef K. belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads had gedaan, werd hij op een morgen gearresteerd.” Zo begint Het proces van Franz Kafka. Verdachte Josef K. belandt in een gekmakend proces, waarin hem onduidelijk blijft wie de aanklagers zijn, en vooral: wat de aanklacht is. Het ondoordringbaar labyrint van macht en bureaucratie waarin hij verzeild is geraakt is niets minder dan een beeld van zijn onvermogen aan schuld te ontkomen; Josef K. zal ten slotte als een lam ter slachting geleid worden.
Zo fungeert in de twintigste-eeuwse literatuur, maar ook ver daarbuiten, het fenomeen 'labyrint' vaak: kafkaësk, of, zoals mijn tekstverwerker als omschrijving suggereert, als duister geheel. Men raakt verstrikt in de wirwar van wettelijke regelingen, van piskijkers en wichelaars, van relaties (het erotisch labyrint!), van kronkels onder het eigen schedeldak - en niemand weet hoe het af zal lopen. Het labyrint mag wel een archetype heten, een in ieder mens aanwezig oerbeeld, in dit geval van de menselijke levensweg. Ganzenbord in het echt.
's Werelds beroemdste labyrint, nu ten prooi aan de erosie door massa's toeristen, ligt in Knossos op Kreta, waar het deel uitmaakte van het paleis van koning Minos. Dit labyrint vrat volgens de mythe levens, net als gangenstelsels in piramides. In het binnenste huisde de Minotaurus, half mens half stier, gevoed door mensenoffers. Dit monster doodde elke indringer, en zou iemand hem al kunnen verslaan, dan zou de monsterdoder voor eeuwig gedoemd zijn te dolen.
Alleen de held Theseus kon de Minotaurus verslaan. Dit eerste deel van zijn heldendaad volbracht hij zelfstandig, voor deel twee, een terugkeer uit het labyrint, kreeg hij hulp van zijn geliefde Ariadne. Zij had een rode draad geweven - haar naam siert nog altijd een tijdschrift voor nuttige handwerken -, er een kluwen van gewonden en deze aan haar Theseus meegegeven. Die had, op weg naar het monster, de kluwen afgerold en kon zo langs zijn rode leidraad naar de uitgang.
Dit Minoïsche labyrint moet volgens de bronnen een meervoudig gangenstelsel hebben gehad; niet alle wegen leiden naar het centrum. Dus zelfs zonder een briesend monster in het centrum is de weg levensgevaarlijk: de kans te verdwalen is levensgroot. De hulp van een gids als Ariadne's draad is daarbij geen overbodige luxe.
Hoog, imposant, meeslepend mooi welft zich de kathedraal van Chartres over de bezoeker. Doorzichtige muren van gebrandschilderd glas trekken met wonderlijk licht het oog naar boven, een bovenwerkelijke belevenis voor een Noorderling die in kale Reformatiekerken is opgegroeid. Dan volgt het oog de enorme cirkels die zwart-wit onder de voeten doorlopen. Nu staan er stoelen op, ooit kropen over deze versteende middeleeuwse theologie mensen in zelfkwellende devotie.
De oude mythe van Knossos heeft hier een ware metamorfose doorgemaakt. De vele wegen lijken er nog steeds te zijn, maar die schijn bedriegt. Het onontwarbare wegenstelsel van Knossos heeft plaatsgemaakt voor slechts één weg, als ware het een immens ganzenbord.
De twee wegen waarover Jezus sprak - de brede naar het verderf en de smalle ten leven - zijn vervangen door één: de lange. Hier is niet de vindingrijkheid van de wandelaar van levensbelang, of een rode draad van Ariadne, maar uithoudingsvermogen en het vertrouwen dat de weg je zal leiden. Het kronkelpad is de zekerste gids. Wegen zijn in dit type labyrint niet doodlopend meer. De langste weg is de reis naar binnen, schreef Dag Hammarskjold. Het is een onoverzichtelijke route, maar echt verdwalen doe je niet.
Theseus is vervangen door 'Jeseus', die de schier ondoordringbare doolhof van de dood binnenging om er het hellemonster te doden. “Gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, wederom opgestaan van de doden, opgevaren ten hemel”, zegt een oude geloofsbelijdenis. Dood, waar is uw prikkel?
Ariadne is stilzwijgend terzijde geschoven, of moet men zeggen: er is voor haar naam een M gezet? Eén van de namen van het labyrint is web van Maria en de rozet met haar beeltenis is zo geplaatst dat op 21 juni de zon door de Moeder Gods heen het hart van het labyrint beschijnt. Een lichtstraal als draad van Ariadne.
Mediterend dicht een onbekende over dit labyrint:
“Nader tot Jou Ik ga op weg, om het midden te vinden, het doel van mijn leven. Als ik het in het oog heb, lijkt de weg recht en licht, maar mijn voet wordt langs omwegen geleid. Mijn God, hoeveel bochten liggen nog voor mij? Soms geloof ik dat ik het doel bereikt heb - dan sta ik weer aan het begin, aarzelend tast ik naar de toekomst. Toch weet ik dat elke wending mij dichter bij Jou brengt - geen stap is vergeefs voor Jou. Nog voor ik het besef, ligt het nieuwe spoor van mijn leven voor mij.”
In het overgangsgebied tussen christendom, meest katholicisme, en New Age kan de zoeker vandaag de dag in kloosters en spirituele centra 'labyrint lopen': de gang van een nagebootst labyrint te voet volgen en zo een mini-pelgrimage naar de binnenwereld maken. Het motief is hetzelfde als in sprookjes: men gaat naar binnen, gaat in het centrum de confrontatie aan met het Ik in al zijn schoonheid en gruwel en aanvaardt tenslotte de terugreis. 'Zichzelf en het goddelijke vinden', omschrijft een religieus labyrint-loop-begeleider het. Naast 'jezelf heel wandelen' is er de mogelijkheid om 'je heelheid bij elkaar te tekenen'. Hiervoor is de mandala geschikt: een cirkelvormige tekening, die uitdrukking geeft aan het verlangen om alle tegendelen te omvatten. God en ik, binnen en buiten, goed en kwaad: alles verenigt de mandala (sanskriet: centrum).
In deze uit het Verre Oosten overgewaaide expressie draait het niet om de (strijd tegen de) dood en het kwaad, maar om de uiteindelijke eenwording, het verzoenen der tegendelen. Het griezelige van het centrum van het labyrint van Knossos en de doodlopende wegen ontbreken hier. En dat sluit naadloos aan bij veel spiritueel behoeftigen. Dat zij de blik oostwaarts richten, zal wel een erfenis van de jaren zestig en zeventig zijn. Toch levert een tegengestelde blikrichting een minstens zo bijzonder labyrint op. En daarvoor hoef je christelijk gesproken niet eens de deur uit.
Aan de rand van Europa en het christendom kronkelt een lijn zich tot een kluwen zonder begin of eind: de Keltische knoop. Dit oeroude symbool weerspiegelt de overtuiging dat alles met alles samenhangt. Gekerstende Kelten vervlochten hun oude knoop met het kruis, en zo van verbondenheid van alles en allen met de Ene - een intens besef van Aanwezigheid.
De Keltische christenen van het uiterste westen moeten in de vroege Middeleeuwen contact hebben gehad met geloofsgenoten in het uiterste oosten. Hun kunst-uitingen wijzen daar onmiskenbaar op: ze lijken veel op oosters-orthodoxe iconen. De hoogkruizen aan deze en gene zijde van de Ierse zee zijn met hun reliëfs bijna beweeglijk, zo robuust en van steen als deze monumenten in het landschap ook zijn.
Al zijn ze zeker niet minder een doolhof, ook in de verweerde hoogkruizen ontbreekt het angstaanjagende centrum van Knossos' labyrint. In de Keltische kruizen schijnt nog altijd de zon, waarmee ze, toen de stenen bouwsels nog menhirs waren, van oudsher verbonden zijn.
Nu heet de Zon Christus, de Verrezene die met zijn Paaslicht alles en allen in staat stelt in oorspronkelijke glorie te stralen. Christus bevrijdt in wezen goede mensen van kwade machten buiten hen. Deze gedachte kon wel eens, mét de kunstuitingen uit de oude, oosterse kerk geïmporteerd zijn.
De slingerlijnen van de Keltische knoop dansen in een duizelig makende regelmaat om elkaar heen en lijken in hun stenen beweging de eeuwige weerkeer van hetzelfde te vertolken. Toch is er meer dan het besef dat gisteren, vandaag en morgen inwisselbaar zijn: er liggen in de lijnen mogelijkheden besloten, een doel. Alles past in elkaar, ook de doodlopende wegen: de lijnenpatronen zijn alle ondergeschikt aan het kruis van Christus. Ongemerkt vormt het vlechtwerk een kruis.
Hoe sober en ruw de hoogkruizen er ook uitzien, zo getuigen ze zelfs tegen het Ierse weer in van een opgewekt mensbeeld.
Als de mens zich een wandelaar in een groot labyrint voelt, dan is de constructie ervan van groot belang. Wie het vertrouwde christelijk labyrint met overgave in loopt, wandelt een wellicht uitgestelde, maar zekere toekomst tegemoet - niet meer dan een levensgroot ganzenbord en zelden enger dan een spookhuis op de kermis. Het is als in mijn gedicht Keerloop:
Zijn kronkelgang loopt dood, meandert langs wallen van verstand en zinnen - hemelsbreed weinig veranderd. De vluchter stuit op blinde muren, want alles heeft zijn plaats en uur, en: het labyrint opent naar binnen.
Voor sommigen strookt dat met de werkelijkheid, voor velen echter niet. Want is er wel een uitgang naar buiten, een metamorfose binnenin?
M. C. Escher, honderd jaar geleden geboren, heeft een aantal religieuze personen vereeuwigd in een beroemde litho. Met een paar trucs tovert Escher het normale perspectief om tot een kwelling voor een paar dozijn monniken. Ze lopen in tegengestelde richtingen in een eindeloze stille omgang op een ingenieus bouwwerk, zonder ooit echt verder te komen. Iedereen is eeuwig op weg naar niets, zonder uitzicht op het bereiken van een top, waar een panoramisch uitzicht alle vermoeienissen zou belonen, of een dal waar de afdalers zouden mogen rusten: het perpetuum mobile van de zinloosheid.
Escher beschouwde dit niet slechts als een artistiek grapje, maar werd er ook 'misselijk van, zo nu en dan', zo schreef hij zijn zoon Arthur. Op dezelfde dag, twee maanden voor hij Klimmen en dalen voltooide, vertrouwde hij zoon George toe: “Het is anders wel een treurig, pessimistisch onderwerp, die trap. Ze verbeelden zich misschien, dat ze een hoger plan, een hogere verdieping bereiken. Anderen dalen continu, in der eeuwigheid, en komen nooit beneden. Is dit diepzinnig of absurd? Het gekste is dat ik er heus van onder de indruk kom, van de absurditeit en treurigheid van mijn prent.”
Het volhardende doorwandelen van zijn monniken is niet zozeer aandoenlijk, maar vooral pijnlijk. En daar doet het passieve verzet van twee monniken terzijde van de absurde kringloop niets aan af.
Voor wie niet meer zomaar met de christelijke traditie uit de voeten kan en aanloopt tegen een veranderd perspectief, zoals door Escher verbeeld, heeft het christelijk labyrint afgedaan. En dat gaat voor velen op. Wellicht kan binnen christelijke kringen, en ook daarbuiten, het intrigerende Keltische hoogkruis bij het zoeken naar een bruikbaar labyrint een opening bieden - als dat een goede term is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.