Voor de vijftiende keer wordt in Utrecht het Festival Oude Muziek gehouden: tien dagen propvol composities waarin de menselijke stem als vanouds de boventoon voert, zeker nu veertien concerten zijn gewijd aan het Boek der Psalmen. Aanleiding daartoe biedt een tentoonstelling in het Museum Catharijneconvent van een bijzonder handschrift, het Utrechts Psalter. Het ligt tot en met 17 november te kijk.
Het Utrechts Psalter blijkt niet zomaar een zangboekje voor in de hand van een cantor in een klooster, maar is een manuscript dat je op een lezenaar legt, woorden en inhoud proevend, zoals psalm 1 aangeeft:
'Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen, op de weg van de schenders geen voet zet, niet zit in de kring van de spotters; die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit, zijn wet overpeinst dag en nacht.'
De knappe tekenaar in het klooster van Hautvillers zette rond 820 die regels precies zo in scène. Zie de man zitten (links afgedrukt) in zijn koepelachtig paleisje, lezend in 'de wet van de Heer', net zo'n boek als nu te pronk ligt in het Catharijnemuseum. De boom iets lager ontsproot aan de rijke, maar niet vrije fantasie van de tekenaar-schrijver. De psalm vervolgt immers: 'Als een boom is hij, wortelend waar water stroomt, die vrucht draagt in het seizoen; zijn gebladerte zal niet verdorren. Tot ontplooing komt al wat hij doet.'
Rechts van de lezende man twee figuurtjes die elkaar lijken te vragen: voor welke kant kiezen we, voor de man van Gods wet, of voor de kring der spotters? Ook die werden treffend uitgebeeld.
Niet in de boven aangehaalde Nederlandse herdichting van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, van rond 1970, maar in de Latijnse vertaling van de kerkvader Hieronymus (rond 390 ontstaan) schreven de scriptoren van het destijds aanzienlijke klooster in Noord-Frankrijk de psalmregels. Met een zwierige B (waar in het uiteinde een slangenkopje zichtbaar wordt) en vergulde eerste regels opent het lied: 'Beatus vir qui non abiit'.
Zo'n duizend jaar scheiden dat luxueuze, unieke, handgeschreven, getekende en hier en daar gekleurde (rode beginletters, gulden opsmuk) psalmboek met kalfsleren perkament bladzijden van het massaal geproduceerde, op dun papier gedrukte, plaatjesloze moderne boekje. Maar de boodschap is nog steeds uitdagend en geldig: '...zijn wet overpeinst dag en nacht...'
Het is niet zozeer om de tekstinhoud, alswel om de spectaculaire illustraties dat het boekwerk uit de zogeheten karolingische renaissance als een topstuk van boekkunst wordt gewaardeerd. Dit werkstuk is een koning waardig. Karel de Kale misschien, kleinzoon van Karel de Grote, zoon van Lodewijk de Vrome, heerser over het westelijke deel van Karels keizerrijk? De prikkelende veronderstelling wordt in de catalogus voorzichtig geopperd door Koert van der Horst, beheerder der manuscripten van de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Want daar heeft het boek sinds 1716 zijn thuis. En dat verklaart tevens de roepnaam Utrechts Psalter. Dit boek heeft niets met Utrecht, met de Dom, te maken, maar komt voort uit de cultuur rond Reims, de Franse koningsstad.
Niet het origineel, maar een fraai facsimile wordt mij in handen gelegd door het hoofd van de afdeling presentatie en communicatie van het Utrechts museum. De rood marokkijnen omslag toont een goud gestempeld wapen. Niet van Karel de Kale, maar van Robert Cotton. We zijn in Londen, rond 1620. Deze collectionneur en boekenfreak liet het zo koninklijk inbinden, onder toevoeging van enkele bladen uit evangelies geschreven in Engelse kloosters.
Hoe kwam Cotton aan het psalmhandschrift? Het spoor dat dit beroemd geworden boek door de tijd trok, is even onduidelijk als grillig. Rond het jaar 1000 moet het in bezit zijn gekomen van de kathedraal van Canterbury. Koert van der Horst oppert dat het boek de oversteek maakte als bruidsschat van Judith, dochter van Karel de Kale, toen zij in 856 trouwde met Aethelwulf, koning van Wessex. Het verliet Engeland weer rond 1640 in de bagage van de hertog van Arundel die (ook behept met een passie voor boeken) het psalmboek van de heer Cotton had 'geleend' en niet teruggegeven toen hij als royalist een veilig heenkomen zocht naar Antwerpen. Hoe waar dat psalmwoord '...gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen...', want het liep ongelukkig af met Arundel en zijn familie. Waarschijnlijk via een veiling in Amsterdam schafte een Utrechtse boekenfreak zich het psalmboek aan en schonk het bij zijn dood aan de Utrechtse bibliotheek. En die leent het nooit uit.
Spreekt een psalm over volkeren die elkaar bevechten (zoals psalm 2 'Quare fremuerunt gentes'; 'waarom zo razen de heidense mensen' zo zegt/zingt de oudste Nederlandse vertaling van 1540, de zogeheten Souterliedekens) dan toont de illustratie ook een paar geduchte legertjes zoals te zien op de rechter pagina, linksonder afgedrukt.
Zingt de psalmist God lof onder vermelding van ramshoorn, harp, cither, fluit en zelfs orgel, dan toont de illustratie dat ook royaal, zoals bij de psalmen 149 ('Cantate Domino canticum novum') en 150 ('Cantate Dominum in sanctis ejus'), waarvan een detail bovenaan staat weergegeven: mannen blazen op lange hoorns.
Musicoloog Marcel Zijlstra zet in het Tijdschrift voor Oude Muziek (nummer 2, 1966 van dit kwartaalblad) uiteen dat die gedetailleerde weergave van allerlei instrumenten niet inhoudt dat tijdens de karolingische renaissance psalmen en andere liturgische gezangen met instrumenten, in het bijzonder een orgel, werden begeleid. Geestig schrijft hij:
“Ook de andere illustraties van het psalterium laten steeds een zeer letterlijke verbeelding van de teksten zien. Wanneer in de psalmtekst staat 'naar Edom strek ik mijn sandaal uit' - psalm 59 (60), vers 10 -, dan zien we deze beeldspraak op zeer letterlijke wijze uitgebeeld door een mannelijke figuur die zijn hand met daarin een schoen over zijn schouder uitstrekt. Wie een dergelijke illustratie van een psalmvers beschouwt als bewijs voor de 9-de eeuwse gewoonte om tijdens het psalmzingen de schoenen boven het hoofd te houden, zal op weinig bijval kunnen rekenen.”
Zijn uitvoerig artikel over de muzikale aspecten van het Utrechts Psalter is daarom zo nuttig in de informatiestroom rond het boek, omdat de dikke, rijk geillustreerde catalogus in vijf grootse, wetenschappelijk doorwrochte artikelen alleen de politieke en culturele geschiedenis, en zaken als de schrijfcultuur, de illustratietechnieken en de invloed van het Utrechts Psalter op latere kopieën behandelt. Uit niets blijkt de relatie tot zingen, tot muziek.
Die band wordt nu juist gelegd door het Festival Oude Muziek in een stevige 'rode' draad door het muziekfeest met psalmcomposities door alle eeuwen heen, vanaf de tijd dat het Utrechts Psalter werd geproduceerd. Wel beschrijft in de gratis museumkrant (met zeer leesbare artikelen, maar armetierige illustraties) de Utrechtse hoogleraar muziekgeschiedenis Kees Vellekoop alle genoemde vroegmiddeleeuwse instrumenten.
Feit is dat er geen noot en geen neum (voorloper van het notenschrift) in voorkomt. Toch noemt Marcel Zijlstra het Utrechts Psalter 'een zwijgende getuige van een muzikale praktijk'. Hij betoogt dat gebruikssporen aantonen dat het psalter ook werkelijk als koorboek werd benut. Hij beschouwt het psalmboek dus als een muziekboek, waarbij hij verwijst naar een handschrift eveneens zonder muziektekens uit de negende eeuw met misgezangen waarin vermeld staat dat 'Gregorius de bisschop dit boekje van de kunst der muziek heeft samengesteld voor de zangersschool.'
Neumen of noten zijn in een psalmboek ook niet nodig aangezien de verzen worden gereciteerd op vaste melodie-formules, waarvan er acht zijn; keuze daarvan hangt af van de modus waarin de antifoon (refrein) staat die een psalmrecitatie inleidt en afsluit. Bovendien stamt het Utrechts Psalter van vóór de tijd dat muzikale aanduidingen - voor zover bekend - werden aangebracht. Pas in de eerste helft van de tiende eeuw werden tekens geplaatst die ritmische aanwijzingen geven; de melodieën werden tot dan mondeling overgedragen en in het geheugen gestampt.
Meteen de eerste avond (morgen) van het Festival Oude Muziek, om 17.45 uur in de r.-k Sint Catharina-kathedraal (Lange Nieuwstraat) klinken gezangen die zeker dateren van ver voor de negende eeuw, maar die alleen bekend zijn dank zij notaties in handschriften uit de elfde eeuw. Het is het zogeheten oudromeins, een rijker versierde liturgische zang dan het bekende gregoriaans. Marcel Pérès zingt met zijn Ensemble Organum de Romeinse vespers van Pasen. De hoge ouderdom van de gezangen wordt onderstreept door het feit dat een van de alleluias op Griekse tekst staat.
Pérès liet al in een eerder festival horen dat de wortels van de westerse liturgische zang dieper gaan dan de latijnse cultuur; in handschriften uit het Zuid-Italiaanse Benevento blijkt dat er zowel in het Grieks als het Latijn werd gezongen, en dat de psalmrecitatie dubbelkorig in twee talen verliep. Voor de benedictijnermonniken in de abdij van Hautvillers was dat allang verleden tijd toen zij het prachthandschrift vervaardigden in exclusief Latijn, de liturgische, bestuurlijke en culturele eenheidstaal van de Roomse kerk en van het rijk dat Karel de Grote.
Het Festival Oude Muziek bezingt een van de getuigenissen van een hoogontwikkelde cultuur die via kronkelwegen in de Utrechtse bibliotheek terecht kwam: het Utrechts Psalter. De rode loper naar de vitrine kan dienen als het symbolisch pad naar de troon van de Allerhoogste.
Na Marcel Pérès en Ensemble Organum wordt die betreden door de Tallis Scholars (morgenavond, Jacobikerk, 22.45 uur) met psalmen uit de 16e en 17e eeuwse Engeland; door het Moskous Patriarchaal Koor (zondag, Augustinuskerk, 17.45 uur en maandag Catharinakathedraal, 17.45 uur) met vespers (en dus psalmen) uit de russisch-byzantijnse traditie; door Christine Kamp (dinsdag, Domkerk, 17.45 uur) met de beroemde orgelsonate over psalm 94 van Julius Reubke; door de Schola Cantorum Amsterdam (woensdag, Augustinuskerk, 17.45 uur) met de langste psalm, nr 119, in onderdelen op diverse gregoriaanse stijlen gezongen; door het Ensemble Vocal Sagittarius (donderdag 5 sept. Catharina-kathedraal, 16 uur en vrijdag 6 sept. Pieterskerk, 17.45 uur) met Franse psalmen 1560 - 1660; door de Nederlandse Bachvereniging (vrijdag, Vredenburg, 20 uur) met psalmen en motetten van Schütz), door het St Paul's Cathedral Choir (zaterdag 7 sept. Jacobikerk, 17.45 uur) met anglicaanse psalmodie in een Evensong; en het Alsfelder Vokalensemble (zondag 8 sept. Augustinuskerk, 16 uur) met psalmen van Mendelssohn en Brahms.
Cantate Domino canticum novum.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.