DORDRECHT - De geschiedenis van muziekkorpsen, scheepswerven, kerken en hockeyclubs, het is allemaal beschreven. Maar wie in de archieven informatie zoekt over de eerste generatie allochtonen in Nederland, zal vergeefs zoeken.
“We hebben wel brieven die Spaanse huursoldaten schreven aan het thuisfront toen ze tijdens de 80-jarige oorlog rondsjouwden in Holland en Vlaanderen. Daaruit weten we dat de Spanjaarden stomverbaasd waren dat ze hier 's winters over het (bevroren) water konden lopen”, zegt stadsarchivaris J. van Albada van Dordrecht. “Maar als we niet snel actie ondernemen, zal de derde generatie buitenlanders straks tevergeefs zoeken in de archieven naar de brieven die opa vanuit Nederland schreef naar de familie in Turkije.”
Hij vindt het een taak van de gemeentearchieven komende generaties in staat te stellen zich een beeld te vormen van hun voorouders en voorgeschiedenis. Nu dreigt daarbij een substantieel deel van de bevolking domweg te worden 'overgeslagen'. Niet uit onwil, eerder uit onmacht, vermoedt Van Albada. Hij heeft wat bescheiden pogingen gedaan om contacten te leggen met allochtonen, maar die hebben duidelijk gemaakt dat het niet eenvoudig is het vertrouwen te winnen. “Vertrouwen moet er zijn. Pas dan zijn mensen bereid mee te werken.” Extra handicap is dat in sommige landen archieven verdacht zijn, omdat ze worden geassocieerd met politie en geheime dienst. Ook een obstakel is dat veel culturen schriftloos zijn. De overlevering is mondeling. “Dan moet je dus iemand bereid vinden om voor de videocamera verhalen te vertellen.”
Van Albada erkent dat zijn ideeën misverstanden kunnen oproepen. Het wil het werk van de media, die veel aandacht besteden aan allochtonen, niet nog eens dunnetjes overdoen. “Uit die bronnen weten we dat zoveel procent van de jonge Marokkanen in aanraking komt met politie en justitie en dat er zoveel werkloze Turken zijn. Maar wat eraan vooraf ging, de geschiedenis van hun voorouders, daar gaat het mij om.” Om zich daarvan een goed beeld te kunnen vormen, is ook meer nodig dan krantenberichten en puur genealogische gegevens als jaartallen van geboorte, huwelijk of vestiging.
Van Albada leerde bij het Institute for black culture in New York dat hij binnenkort de derde generatie allochtonen kan verwachten. “Die willen weten waarom opa hierheen is gekomen, wat hij toen heeft meegemaakt, wat zijn eerste indrukken waren van Nederland, hoe het ertoe ging op de werkvloer.” In de landen van herkomst lopen de sporen meestal dood, omdat daar geen lokale archieven zijn. Maar ook hier dreigen deze getuigenissen verloren te gaan, vreest Van Albada.
Dat is een gemiste kans. Hij is ervan overtuigd dat dit ook de integratie kan bemoeilijken. Hij pauzeert, want een jonge Marokkaanse met hoofddoekje brengt thee rond. Ze heeft een tijdelijke baan bij het archief in het kader van het jeugdwerkgarantieplan. Er zijn nog een paar jonge allochtonen in dienst om werkervaring op te doen. Van Albada heeft hen gevraagd of ze hun families warm willen maken voor zijn verzoek. “Het Marokkaanse meisje zou haar broer vragen of hij dat wil doen, want zelf heeft ze thuis geen stem. Dat geeft wel aan hoe gevoelig dit ligt in allochtone kringen.” Maar hij is overtuigd dat als een paar families meewerken, dit als een lopend vuurtje rond zal gaan. “Ik moet het hebben van mond-op-mondreclame. Daarnaast ga ik instellingen en verenigingen van buitenlanders vragen of ze willen helpen.” Maar het zal vijf tot tien jaar duren, verwacht hij, voordat er onder allochtonen 'een natuurlijke gang' ontstaat naar het gemeentearchief. “Ik ga daar hard aan trekken, want over 20, 30 jaar zijn we te laat.”
In Amerika bleek de derde generatie buitenlanders op zoek te gaan naar haar wortels. “Ieder mens is nieuwsgierig naar zijn voorouders, zeker als die zo'n ingrijpende beslissing hebben genomen om te emigreren. Mensen ontlenen aan die kennis ook een vorm van zekerheid. Het is mijn overtuiging dat 'vreemdelingen' zich pas echt kunnen settelen in een samenleving als ze hun verleden kennen en doorgronden. We hebben de mond vol van integratie, maar dit aspect dreigt onderbelicht te blijven.”
Brieven, dagboeken, mondelinge getuigenissen vastgelegd op videoband, foto's, reisverslagen, alles is welkom. Van Albada herinnert zich uit zijn studietijd (sociale economie) dat de informatie over het bestedingspatroon van de Nederlandse arbeiders in de jaren '20 was gebaseerd op acht huishoudboekjes van Zaanse gezinnen. “Pas achteraf heb ik me gerealiseerd hoe karig dat was. Het Openluchtmuseum is op dit terrein waarschijnlijk beter gedocumenteerd dan de archieven. Ik heb mezelf voorgenomen dat mij dat later niet mag worden verweten.”
Hoe de archieven de informatie moeten verwerken, staat Van Albada nog niet helder voor de geest. “We zitten niet om werk verlegen. Maar misschien is dit wel een mooie uitdaging voor werkloze academici uit de derde generatie allochtonen.”
De stadsarchivaris vreest overigens dat er naast de eerste generatie allochtonen wel meer bevolkingsgroepen dreigen 'uit te sterven' zonder dat hun geschiedenis goed is vastgelegd. “Ik denk dan bijvoorbeeld aan de binnenschipper die samen met z'n vrouw vaart. Ze zijn er nog wel, maar hoe lang nog? Het is ook heel moeilijk deze mensen hun verhaal te laten doen, omdat ze voortdurend moeten varen om in leven te blijven. Ze moeten haast vastvriezen in de haven, wil je ze te pakken krijgen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.