Minstens een kwart van de Russen kan zich de Stalin-tijd persoonlijk herinneren. Maar een Russisch Yad Vashem - een nationale herdenkingsplaats, archief, museum, monument - voor de Stalin-slachtoffers zal er nooit komen. De overgrote meerderheid van de Russen wil er “niet over horen, niet over lezen, niet aan denken”, zegt onderzoekster Lydia Golovkova.
Officieren van de veiligheidsdienst voelen zich al weer vrij om onderzoekers te koeioneren en te dreigen. “Het is nu eindeloos veel moeilijker dan een paar jaar geleden om iets uit de archieven boven water te krijgen.”
Zonder gedreven enkelingen als Golovkova zou er van een nagedachtenis in Rusland geen sprake zijn. Zonder publiek, zonder moderne hulpmiddelen, met drie of vier vrijwilligers is zij bezig delen van de terreurmachine gedetailleerd in kaart te brengen. De groep maakt 'martyriologieën': lijsten met namen en gegevens en foto's van mensen die zijn vermoord.
Van mensen als Golovkova zijn er een paar duizend in heel Rusland, mensen die archiefonderzoek doen, naamloze lijken uit massagraven herbegraven, boeken en artikelen schrijven. Dat handjevol mensen moet het geheugen en geweten van de gewezen Sovjet-Unie vertegenwoordigen. “Ik weet niet hoe je die onverschilligheid kunt wegnemen. Ik weet niet of het moet. “Jongeren in Rusland hebben andere dingen aan het hoofd, misschien wel terecht. Ik kan voor mijzelf al niet eens uitmaken hoe met die verschrikkingen te leven. Al die doden, het houdt niet op.”
De groep van Golovkova heeft nog vele jaren monnikenwerk voor de boeg. En dan beschrijft de groep nog maar een klein stuk van de repressie: veertien maanden uit het bestaan van het 'schietterrein' van Butovo, twintig kilometer buiten de Moskouse stadsgrenzen. Daar werden tussen 7 augustus 1937 en 19 november 1938, op het hoogtepunt van de Grote Terreur, 20 765 mensen doodgeschoten, soms vijfhonderd in één nacht, bij voorkeur in de vroege dageraad, als wegrennen in het donker al niet meer kon en de omwonenden nog sliepen.
Wie wil, kan zo naar het schietterrein toe. De doden liggen hier ook begraven, sommigen tientallen meters diep onder de aarde. Het is een stuk grond van een halve kilometer in het vierkant, met kleine boompjes beplant, zo pokdalig als het slagveld bij Verdun. Aan de ene kant staat een nieuw, grof houten kerkje, geflankeerd door borden waarop de namen staan van vermoorde priesters, nonnen en monniken. Aan de overkant staat een bescheiden steen voor álle slachtoffers, ook de niet-kerkelijke. Bloemen en bezoek vertonen zich hier zelden, zo te zien. Het terrein is uitgestorven.
Kort geleden liep Golovkova er rond met een collega-onderzoekster, toen de directrice van een school in het vlakbij gelegen dorp haar aansprak. Of Golovkova niet eens op haar school het een en ander over het verleden van het schietterrein zou kunnen komen vertellen? Golovkova wilde niets liever en maakte een afspraak. Ze kwam, werd naar een klas gebracht en stak van wal. Maar na een paar zinnen al - meteen na het eerste gebruik van het woord 'doodschieten' - riep de lerares: “Dit willen wij niet horen, dit is niet voor schoolkinderen. Wíj moeten hier wonen, u niet. Gaat u weg!” En opeens kon ook de directrice zich niet goed herinneren Golovkova ooit te hebben uitgenodigd. Ze werd het gebouw uitgefoeterd.
Twee jonge juffen renden Golovkova achterna, huilend van schaamte: “We vinden het zo erg. We zíjn zo niet. Maar de meesten hier zijn limitsjiki (mensen die vijf jaar moeten werken voordat ze woonvergunning krijgen voor de omgeving van Moskou en nog eens vijf jaar voordat ze een woninkje krijgen toegewezen - red.). Vergeeft u het ons, we kunnen geen kant op.”
In de jaren dertig, toen het schietterrein 'in bedrijf' was, waren de inwoners van het dorp praktisch afgesloten van de buitenwereld. De dorpelingen hadden een zwijgplicht en ze hielden zich eraan, daarvoor wisten ze bepaald genoeg. Als een soort lijfeigenen moesten ze een paar dagen per maand voor de dienst werken, zonder beloning.
Maar een gisse dorpsjongen die 'met zijn tijd meeging' en ervoor zorgde dat hij op de loonlijst van de dienst terechtkwam, was goed af, weet Golovkova: “Ik ken een heel oud baasje in Butovo, die destijds als chauffeur voor de dienst werkte. Chauffeurs weten veel. Ik heb eindeloos geprobeerd iets uit hem te peuteren. Maar zijn vrouw werd nijdig als hij iets wou zeggen, dan bonkte ze hem venijnig met de punt van haar elleboog, zó. . .”, doet Golovkova voor.
“Alleen als we even alleen waren, vertelde die man wat: hij heeft meegemaakt dat een zwangere gevangene tijdens de rit naar een gevangenis begon te baren. Ze werd in het bos langs de weg in de sneeuw gelegd, d'r kind werd 'gehaald', een officier sneed de navelstreng door en de rit ging verder, vertelde hij. We hebben nog gezocht, maar hoe het die vrouw en haar kind verder verging, is onbekend. Het chauffeurswerk werd goed betaald, je werd bij alle wegversperringen doorgelaten en je mocht lekker hard rijden. Dat vertelde hij ook.”
Veel mensen in Butovo, is Golovkova in de loop der jaren gebleken, hebben naar goed Russisch gebruik het gevoel dat ze op een verdoemde plek wonen. Zelfs gepensioneerde KGB-ers branden thuis altijd een kaarsje bij een icoon in de oostelijke hoek va de kamer. Voor de zekerheid. “Het is zwaar om hier te wonen, dat snapt u toch?” Golovkova kreeg het vaak te horen.
Butovo wist, maar zweeg en bleef zwijgen, decennialang, onder Chroesjtsjov, onder Brezjnev, en zelfs nu. Moskou, op een figuurlijke steenworp afstand, wist van niets. Aangezien 'de organen' onder Stalin de gewoonte hadden hun eigen personeel óók uit te moorden, ging ook daar de kennis snel verloren. “Bij de FSB (zo heten de organen tegenwoordig - red.) waren eind jaren tachtig misschien één of twee mensen over, die weet hadden van Butovo en van Kommoenard, een vergelijkbare executieplaats niet ver van Butovo vandaan.”
Familieleden van terreurslachtoffers begonnen na 1956 schuchter te informeren wanneer, hoe en waar hun dierbaren gestorven waren, en waar die begraven lagen. De 'organen' verzonnen maar wat. “Zo kon het gebeuren dat Moskovieten hun leven lang hebben gedacht dat papa of oma ergens in een gruwelkamp aan de Chinees-Siberische grens was omgekomen, terwijl de persoon in kwestie vlakbij lag, in Butovo. Waarom zelfs daar nog over gelogen?”
Kort na de mislukte putsch van hardliners in 1991 diepte een behulpzame KGB'er boeken op met de namen van mensen die in '37/'38 in Butovo waren doodgeschoten. Met behulp van die namenlijst kan Lydia Golovkova nu in de archieven zoeken naar méér gegevens over de slachtoffers. “Zulke vondsten zijn een wonder. Nog even en de stille deskundigen sterven uit en dan wordt het allemaal nog veel moeilijker.”
Golovkova leeft - zoals bij de Russische intelligentsia in het post-communisme gebruikelijk - voornamelijk van de wind. Daaruit put ze op een of andere manier genoeg energie om óók nog voor de orthodoxe kerk de repressie onder de clerus te onderzoeken. Daarnaast blijft ze speuren naar informatie over het St. Jekaterina-klooster in Suchanovka, vlakbij Butovo, dat eind jaren dertig veranderde in een supergeheime staatsgevangenis, waar bijna niemand levend uitkwam. Oók Jezjov niet, de baas van 'de organen' tijdens de Grote Terreur, gemarteld en omgebracht op bevel van zijn opvolger Beria.
“Ik heb daar een paar artikelen en een boekje over geschreven op basis van getuigenissen van een paar overlevenden en omwonenden. Uit de archieven krijg ik níets over Suchanovka, nog geen snipper. Over Butovo maken ze geen problemen, maar van Suchanovka moeten we afblijven. Ik ben op het matje geroepen, een paar maanden geleden: 'U verspreidt leugens. Als u dat nog een keer doet, loopt het slecht met u af', zei de officier.”
De kerk heeft het klooster annex de gevangenis van Suchanovka teruggekregen. Er zitten weer monniken. De boel wordt verbouwd, deels afgebroken. Niets, of nog niets herinnert aan de duizenden die hier - in de kloosterkerk - werden doodgeschoten. “Ze vernietigen de sporen van de tijd dat het een gevangenis was, de monniken. Maar ja, zij moeten er wonen.” Minder kerksgezinde collega's van Golovkova vinden dat in Suchanovka geen kloosterleven meer hoort. Hier tellen alleen nog de verschrikkingen, zeggen zij. Golovkova is het er niet mee eens. “Het is toch goed dat er op die plek gebeden wordt. De patriarch heeft zelfs toestemming gegeven om in Suchanovka óók voor de niet-gelovige slachtoffers te bidden.” Een vriend van Golovkova brieste ooit tegen de abt: “Als er dan zo nodig gebeden moet worden in een crematorium, dan moet het maar.”
Golovkova is de nazaat uit een geslacht van Russische technici die werkten in de oliewinning rond Bakoe. Haar opa en zijn drie broers behoorden daarmee tot één van die vele groepen die Stalin liever uitgemoord zag. Golovkova's opa heeft het overleefd - “misschien omdat hij op de middelbare school in Bakoe bevriend was geweest met Stalins openbare aanklager Visjinski.” Alle drie de broers werden opgepakt en kwamen om. Maar dat nieuws kreeg Golovkova pas in de jaren tachtig te horen. Er werd voóó Gorbatsjov in de familie niet over gepraat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.