Er heerst een misverstand in Nederland. Er heerst het misverstand dat Nederland ('het Nederlandse voorzitterschap') de taak heeft een nieuw verdrag voor de Europese Unie, het Verdrag van Amsterdam op te stellen. Meer dan een jaar wordt echter reeds onderhandeld over verdragswijziging. Voor een deel is al overeenstemming bereikt, over de instelling van een 'Eenheid voor onderzoek en analyse' ten dienste van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bijvoorbeeld. Voor een belangrijk deel is die overeenstemming er nog niet.
Het is instructief om af en toe de tussentijdse rapportages over de gemaakte vorderingen eens te bekijken. Bij elke kwestie zijn er drie of vier varianten. Engeland wil doorgaans helemaal niks, Frankrijk is voor versterking van de samenwerking, maar dan in intergouvernementele richting, terwijl Duitsland (soms gesteund door een land als Nederland) meer in communautaire richting gaat. De kleinere landen zijn er alleen maar op uit om hun bevoorrechte positie (Luxemburg bekleedt even vaak het voorzitterschap als Duitsland) te verdedigen. Zo blijkt eens te meer hoe groot de belangentegenstellingen en hoe fundamenteel de verschillen van opvatting over de aard van het Europese integratieproces zijn en hoe moeilijk de taak van het voorzitterschap is. Om consensus te bereiken moet niet één keer, maar tientallen keren de kwadratuur van de cirkel uitgevonden worden.
Duidelijk is dat voor het bereiken van resultaat in dergelijke langdurige onderhandelingen het systeem van het halfjaarlijks wisselend voorzitterschap averechts werkt. De dynamiek van het onderhandelingsproces wordt doorbroken, de nieuwe voorzitter moet zich hoe dan ook in de materie inwerken (zie bijvoorbeeld Van Mierlo's energie- en tijdverslindende kennismakingsreis langs de veertien hoofdsteden) en onvermijdelijk zal steeds opnieuw het wiel worden uitgevonden. Afschaffing van dit systeem van wisselend voorzitterschap zou de EU slagvaardiger en efficiënter maken, maar het zijn juist de kleine landen die weigeren het voorrecht om eens in de zeven jaar in de Europese schijnwerpers te staan op te geven.
Duidelijk is ook dat een land juist in de periode dat het het voorzitterschap bekleedt, voorzichtig moet zijn bij het uitventen van de eigen voorkeuren. In die zin is het bekleden van het voorzitterschap eerder een nadeel dan een voordeel, een argument te meer om het huidige systeem af te schaffen. De eerste taak van een voorzitter is nu eenmaal een zo zinvol mogelijke consensus te bereiken. Dat wordt nog eens extra bemoeilijkt wanneer de voorzitter de onderhandelingen belast met het benadrukken van de eigen voorkeuren, zeker wanneer die nogal een afwijkend karakter hebben.
Precies daarom deel ik de kritiek van Nederlandse politici dat het Nederlands voorzitterschap met obligate verwijzing naar meer democratie en meer meerderheidsbesluitvorming “te weinig ambitieus” zou zijn, niet. Zeker, de Nederlandse voorstellen voor de Intergouvernementele conferentie, neergelegd in regeringsnota's uit l994 en 1995, waren uiterst bescheiden. Ergerlijker was nog de bijna defaitistische houding die uit die nota's sprak. De hervormingen die noodzakelijk zijn voor een slagvaardige en efficiënte Unie, zullen er wel niet komen, schreef de regering. Zij kwam daar destijds moeiteloos mee weg. Zij werd niet gedwongen tot verdergaande voorstellen, noch tot een actievere opstelling. Nu de regering 'te weinig ambities' verwijten miskent enerzijds de beperkingen die het voorzitterschap nu eenmaal oplegt, en is anderzijds gewoon te laat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.