Waarom zweeg paus Pius XII in de oorlogsjaren over de holocaust, ook al kende hij de werkelijkheid al in een vroeg stadium? Om in stille diplomatie te redden wat er te redden viel? Of omdat hij Hitler niet durfde of wilde dwarsbomen? Twee recente studies trachten een sluitend antwoord te geven, en komen tot diametraal tegenovergestelde conclusies.
Zelden gooide een buitenstaander de knuppel effectiever in het hoenderhok dan Rolf Hochhuth met zijn toneelstuk Der Stellvertreter. Tot op het moment van de première op 1 juli 1963 in Berlijn werd Pius XII in brede kring gezien als schoolvoorbeeld van vroomheid en morele integriteit. Sindsdien is zijn nagedachtenis gestempeld door Hochhuths brute karaktermoord.
Bijna vier decennia later houdt de persoon van deze paus, overleden in 1958, de gemoederen nog altijd bezig. Want al heeft nader onderzoek Hochhuths grove schets - Pius XII als harteloze cynicus - naar de prullenbak verwezen, de centrale vraag die de Duitser in zijn stuk stelde, staat nog recht overeind: waarom zweeg Pius, terwijl om hem heen miljoenen joden naar de dodenkampen werden afgevoerd?
Ruim een halve eeuw na dato verdringen historici elkaar nog steeds om argumenten pro en contra Pius aan te dragen. Dat is thans weer het geval met de publicatie van twee nieuwe studies. Ook nu baart hun verschijning veel opzien, én zijn de meningen verdeeld.
De eerste, Pius XII and the Second World War, is van de hand van de Franse jezuïet Pierre Blet. Hij was een van de experts die in 1964 van paus Paulus VI opdracht kregen om de Vaticaanse oorlogsdocumenten te bundelen en van wetenschappelijk commentaar te voorzien.
Op dat werk, in 1981 met de publicatie van deel twaalf afgesloten, baseert Blet, hoogleraar moderne geschiedenis aan de pauselijke Gregoriana, zijn boek. Waarbij hij er geen geheim van maakt vierkant achter het oorlogsoptreden van Pius XII te staan.
Doordat Blet in zijn werk meer de documenten zelf laat spreken, wekt zijn boek minder irritatie dan de andere Pius-studie, die van John Cornwell, publicist en senior research fellow in Cambridge. Deze voorziet zijn betoog bijna om de alinea van (negatief) commentaar. Toch verdient zijn boek, Hitler's pope, - thans in vertaling verkrijgbaar - eveneens serieuze aandacht vanwege het feit dat ook hij gedegen studie van het onderwerp heeft gemaakt. Het is ook pakkend geschreven.
Alleen al aan de titel valt te zien waar Cornwell, auteur van een bestseller over het overlijden van Johannes Paulus I (1978), staat. 'Zijn' Pius, door de auteur het hele boek door bij zijn lekennaam Pacelli genoemd, was voordat hij tot paus werd gekozen een ijdele, ambitieuze curiediplomaat voor wie de macht van het Vaticaan boven alles ging.
Als kardinaal-staatssecretaris (een soort premier) sloot hij in juli 1933 een concordaat met Hitler-Duitsland. Omwille van de schijnvrede met het nazi-regime, aldus Cornwell, hielp Pacelli het katholiek Zentrum, de enige partij die naast de NSDAP was overgebleven, om zeep en maakte hij de kerk in Duitsland vleugellam. Zo zou hij er toe hebben bijgedragen het pad richting Wereldoorlog II te effenen. Al is die bewering overdreven, toch kan niet worden ontkend dat het concordaat Hitler internationaal het respect bezorgde dat hij in die begintijd van zijn kanselierschap nodig had.
Cornwells bewering dat de Zentrumpartei werd opgeheven op aandrang van Pacelli - die zag haar als belemmering voor zijn concordaatspolitiek - klopt niet. De partij ging aan eigen gespletenheid ten onder.
En, zoals Cornwell doet, de suggestie wekken dat het concordaat de Duitse katholieken - een derde van de Duitse bevolking - de serieuze kans ontnam uit te groeien tot een massale antinazistische verzetsbeweging, is zelfs absurd. De katholieken in Duitsland waren in hun houding tegenover de nazi's even verdeeld als de rest van de bevolking. Dat een kwart van de SS uit katholieken bestond en er zelfs enkele bisschoppen met nazi-sympathieën rondliepen zegt genoeg.
Het is historisch eveneens onjuist om het voor te stellen alsof de Duitse bisschoppen het concordaat door Pacelli kregen opgelegd. In werkelijkheid gingen ze eigener beweging aarzelend akkoord, in de ijdele hoop dat een formele regeling tussen kerk en staat de katholieke organisaties zou vrijwaren van verdere repressie. De auteur doet trouwens net alsof Pacelli als staatssecretaris het in het Vaticaan alleen voor het zeggen had en er geen Pius XI bestond. Een paus die juist een krachtig bestuurder was.
In 1939 zelf als Pius XII paus geworden, stelde Pacelli de holocaust nooit onverhuld aan de kaak. Angst voor nazi-represailles tegen de Duitse katholieken en een 'geheime, door de jezuïeten gevoede antipathie tegen joden' waren volgens Cornwell de redenen.
Het Vaticaanse staatsapparaat zou het eveneens hebben laten afweten, afgezien van wat lauwe protesten. Dat er in werkelijkheid, via de gezanten, bij de Duitse vazalstaten Slowakije, Kroatië, Roemenië en Hongarije herhaaldelijk verzet is aangetekend tegen de jodenvervolgingen die er tussen 1942 en '44 plaatsvonden - overigens kwam men allereerst, alhoewel niet uitsluitend, op voor tot het katholicisme bekeerde joden -, wordt alleen bij Blet uitvoerig vermeld.
Cornwell probeert de Vaticaanse demarches te kleineren. Al kan zelfs hij er niet omheen dat duizenden joden hun leven dankten aan de hulp van rk organisaties, congregaties en Vaticaanse instanties.
In z'n rechtlijnigheid is zijn kijk op de werkelijkheid aantrekkelijk voor al degenen die zowel de loop van de geschiedenis als de menselijke psyche in helder zwart-witte tinten getekend wensen te zien. Dat de realiteit, zoals altijd, ook wat Pius XII betreft aanzienlijk meer grijs bevat, blijkt voor Cornwell geen beletsel vast te houden aan het vonnis dat hij al aan het begin van zijn boek velt: Pius was Hitlers paus. Al kost het de auteur soms moeite de paus op dit procrustesbed vast te binden.
Zo zou de autoritaire Pius XII een stille bewondering hebben gehad voor de dictatoriale Führer. Een bewering die haaks staat op het feit dat de paus najaar 1939 als geheim 'koerier' fungeerde voor enkele Duitse generaals die Hitler wilden afzetten en daarover Londen en Parijs raadpleegden.
Vreemd is ook Cornwells behandeling van de pauselijke kersttoespraak van december 1942. Daarin kwam Pius XII dichtbij wat men een veroordeling van de jodenvervolging zou kunnen noemen. Hij had het over 'de honderdduizenden onschuldige mensen, ter dood gebracht of gedoemd tot een langzame uitroeiing, soms alleen vanwege hun ras of afkomst'. Cornwell vermeldt wel de negatieve reacties uit Londen, Washington en Rome, waar men de woorden te vaag danwel onschuldig vond, maar verzwijgt de woede in Berlijn.
Daar constateerde het ministerie van buitenlandse zaken: ,,Hij (de paus) spreekt zich duidelijk uit voor de joden (. . .) Hij maakt zich zo tot spreekbuis van de joodse oorlogsmisdadigers.'' Minister Ribbentrop gaf zijn gezant bij de Heilige Stoel, Diego von Bergen, opdracht het Vaticaan te dreigen met vergelding. De gezant meldde terug: ,,Pacelli is even immuun voor dreigementen als wij.'' In tegenstelling tot naooorlogse critici als Walter Laqueur vonden de nazi's de paus allesbehalve een lafaard.
Het bewijs dat Cornwell voor het antisemitisme van Pius XII aandraagt - een korzelige brief die Pacelli in 1918 als nuntius in München aan zijn superieur in Rome schreef over de joodse afkomst van een groep ultralinkse revolutionairen die hem grof behandelde - overtuigt niet. Al was Pacelli toen en later ongetwijfeld behept met het latente anti-judaïsme dat de katholieke theologie van vóór het tweede Vaticaans concilie kenmerkte, een antisemiet was hij nooit.
Cornwell gaat erg gemakkelijk voorbij aan het dilemma waarmee Pius XII zich geconfronteerd zag: zou openlijk protest van zijn kant geen dodelijke repercussies hebben voor de katholieke en gemengd gehuwde joden die nu deels buiten schot bleven? Drama's als in Nederland, waar in '42 zo'n honderd katholiek gedoopte joden werden weggevoerd na publieke veroordeling van de razzia's door de Utrechtse aartsbisschop De Jong, kan men niet zomaar wegwuiven.
Is er daarom, zoals Blet doet, alle reden om Pius XII van elke morele schuld vrij te pleiten en hem zo snel mogelijk zalig te verklaren, als opmaat naar het heiligenaureool? Dat blijkt een wat al te gemakkelijke conclusie voor wie de geschiedenis uit die tijd kent. Die laat zien dat, naast de genoemde interventies ten behoeve van de joden, het ook kon voorkomen dat datzelfde Vaticaan zijn goedkeuring hechtte aan discriminerende jodenwetten zoals die van de met de nazi's collaborerende regering van Vichy (juni '41). Dat Pius van niets wist kan, maar lijkt weinig waarschijnlijk.
De ascetische, introverte en spirituele paus mag dan niet de demonische trekken hebben bezeten die Cornwell hem tussen de regels door toeschrijft, dit neemt niet weg dat zijn schaarse en voorzichtige protesten tegen de holocaust - Pius ontving al in mei 1942 de eerste signalen en 'huilde als een kind' - in schril contrast staan met de felheid waarmee hij later tegen de communistische leiders in Oost-Europa van leer trok. Daarbij liet hij de gevolgen voor de rk kerk minder zwaar wegen dan tijdens de wereldoorlog.
Zag de paus toch, ondanks zijn bewering van het tegendeel, het fascisme als minste van twee kwaden? Dat zou je gaan denken als je zowel bij Cornwell als bij Blet leest dat de Kroatische ultrarechtse nationalist en antisemiet Ante Pavelic, aan wiens handen het bloed van duizenden vermoorde Serviërs, joden en zigeuners kleefde, in 1941 door Pius in audiëntie werd ontvangen. Niet als Kroatisch staatshoofd, dat ging het Vaticaan te ver, maar 'als zoon van de kerk'. Daarentegen werd de Kroatisch-Sloveense communistenleider Broz Tito die het verzet tegen Pavelic en de Duitsers leidde, van het begin af aan door het Vaticaan verketterd.
Hoe dit ook zij de vraag blijft klemmen of Pius, bij het zien van het schuldeloze lot dat de joden trof, niet alle prudentie had moeten laten varen en morele principes boven tactische overwegingen had dienen te stellen. Zo'n openlijk teken van solidariteit zou pas echt een boetedoening zijn geweest voor eeuwen van christelijk antisemitisme.
Maar dat bleek te veel gevraagd van een man en een geloofsgemeenschap die er rotsvast van overtuigd waren dat hun god en heiland tweeduizend jaar geleden door de joden was vermoord en dat die 'schuld' doorwerkte in alle joodse generaties die na hen kwamen. Dit maakte dat Pius XII op het beslissende moment de zorg voor de eigen kudde net iets hoger stelde dan die voor de afgedwaalde schapen die met uitroeiing werden bedreigd. De wolf maakte er gretig misbruik van.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.