*

 
dossier

Archief

Haast heeft afbreuk gedaan aan wet partnerregistratie

CEES BREMMER; MARIAN SOUTENDIJK − 11/01/97, 00:00

Op de Podiumpagina van 31 december bekritiseerden twee CDA-Kamerleden het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel partnerregistratie. Hun artikel lokte afwijzende reacties uit van twee andere auteurs die vandaag door de CDA'ers worden gepareerd. De auteurs zijn beiden lid van de Tweede-Kamerfractie van het CDA.

Zijlstra hanteert in haar argumentatie uitsluitend de schriftelijke discussie tussen Tweede Kamer en staatssecretaris Schmitz. Zij laat de plenaire discussie die vorige maand in liefst drie termijnen met de regering werd gevoerd geheel onvermeld. Daarbij zijn veel van de door ons genoemde praktische en juridische problemen uitvoerig belicht.

Deze discussie heeft ertoe geleid dat Schmitz vooral op onze instigatie tijdens het Kamerdebat heeft aangekondigd de staatscommissie internationaal privaatrecht nu reeds advies te vragen over een aantal door de Kamer gesignaleerde problemen. Anders dan zij oorspronkelijk van plan was wacht zij daarmee niet langer tot na de behandeling in de Eerste Kamer. Dat is winst. Ook erkende Schmitz dat het heel goed mogelijk is dat door dit advies het huidige wetsvoorstel (ingrijpende) wijziging behoeft. Dat vinden wij bij een dergelijke verstrekkende regeling, waaraan mensen immers verwachtingen en zekerheden ontlenen, niet verantwoord. Onze zorg is nu juist dat velen, onder wie Zijlstra en Diependaal, de ogen sluiten voor de complicaties die het wetsvoorstel kan geven. Het doel van partnerregistratie heiligt kennelijk haast en onzorgvuldigheid. Dat verdient de registratie niet.

Discriminatie

Diependaal verwijt ons ten onrechte strijdigheid met het grondwettelijk verbod op discriminatie. Zij geeft correct aan dat (mede) een uitspraak van de Hoge Raad de wetgever heeft aangezet tot de regeling van partnerregistratie. Deze uitspraak erkent allereerst dat het huwelijk niet discriminatoir is, ook al is het niet bestemd voor mensen van gelijk geslacht. Vervolgens stelt de Hoge Raad dat een aparte regeling nodig is om paren van hetzelfde geslacht dezelfde rechten te geven als gehuwde heteroseksuele paren. Zou zo'n regeling er niet komen dan zouden homoseksuele paren ongelijk behandeld worden en zou er dus sprake zijn van discriminatie. Ons standpunt om de registratie alleen voor paren van gelijk geslacht open te stellen is dus beslist niet in strijd met het genoemde discriminatieverbod.

Diependaal geeft, in afwijking van de Hoge Raad, een verkeerde uitleg van het non-discriminatiebeginsel. Zij sluit de ogen voor het gegeven dat dit beginsel niet meer en ook niet minder betekent dan dat gelijke gevallen gelijke behandeling verdienen. Het beginsel gaat niet op voor ongelijke gevallen. Dat rechtvaardigt een aparte regeling voor paren van gelijk geslacht. Zij zijn immers niet in alle opzichten gelijk aan heterostellen. Wij noemen bijvoorbeeld de mogelijkheid van het krijgen van kinderen.

Ook de redenering dat homo's zouden worden 'afgescheept' met een speciale regeling en dat daarom sprake zou zijn van strijdigheid met het discriminatieverbod snijdt geen hout. De registratie is voor de rechten en plichten van de partners onderling en naar derden toe volledig vergelijkbaar met de huwelijkse rechten en plichten.

Diependaal gaat in de fout daar waar zij het Nederlandse model verdedigt met een verwijzing naar het Scandinavische model. De partnerregistratie in de Noordse landen staat alleen open voor homoparen. Dit model onderbouwt dus ons standpunt en derhalve niet haar betoog.

Zij wekt de indruk dat partnerregistratie een verandering in het familierecht aanbrengt die een ander, meer variabel en minder verbindend rechtskader dan het huwelijk schept. Dat is volgens ons geen juiste voorstelling van de feiten.

Zaken als onderhoud, gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de schulden, samenwonen, alimentatie, pensioenverevening en gemeenschap van goederen zijn elementen die bij de registratie identiek geregeld worden als bij de huwelijkswetgeving. Het essentiële verschil zit hem in de verhouding naar kinderen toe. Haar vergissing komt met name aan het licht in haar uitspraak dat “sommigen niet willen trouwen omdat het in hun ogen niet past bij hun opvattingen over de onafhankelijkheid van partners binnen een relatie”.

Diependaal moet toch erkennen dat de thans aanvaarde registratieregeling voor die opvattingen geen ander antwoord biedt dan de huwelijkswetgeving! De invulling van de registratie wordt evenzeer gekenmerkt door lotsverbondenheid met alles wat daaruit aan rechten en plichten voortvloeit.

Een ander fundamenteel punt is het aan de registratie ontbreken van rechtsgevolgen in het buitenland. Zijlstra en Diependaal gaan er volgens ons aan voorbij dat voor mensen die kunnen trouwen nu eenmaal een ander referentiekader zal gelden dan voor personen die dit nièt kunnen. Dat verschil in referentie schept een ander verwachtingspatroon. Het is naar onze opvatting niet juist om met Diependaal geruststellend te zeggen dat geregistreerde hetero's hun situatie zullen vergelijken met die van stellen die samenwonen en die toch ook geen met gehuwden vergelijkbare rechten in het buitenland kennen. Het is een onjuiste simplificatie om de problemen die hieruit kunnen voortvloeien te verengen tot een discussie over opvattingen van gehuwde vrouwen over de aantekening 'echtgenote' in het paspoort en vakantietripjes. Juist ook in dit soort gevallen zullen veel geregistreerde heterostellen in probleemsituaties menen ook namens de andere partner rechtens te kunnen handelen alsof zij getrouwd zijn. Wij wensen vanuit praktijkkennis niemand dit soort situaties, bij voorbeeld ziekte of ongeval, toe. Bij een langdurig verblijf in het buitenland geldt hetzelfde in nog veel sterkere mate. In dat geval leiden ook alle normale rechtshandelingen, zoals kopen en lenen, tot de vraag: mag deze man of vrouw wel namens zijn of haar partner handelen?

Zijlstra's opvatting 'beter een half ei dan een lege dop' ofwel: beter rechtszekerheid in Nederland dan helemaal geen rechtszekerheid, geldt voor hetero's dus zeker niet. Voor hen ligt, in de genoemde beeldspraak, met het huwelijk een heel ei voor het oprapen!

Diependaal acht het een voordeel dat kinderen van geregistreerde partners apart erkend moeten worden, omdat dit de vrouw meer ruimte laat zwanger te worden van een nieuwe liefde. Hoewel deze redenering formeel klopt, blijft ons principiële bezwaar dat hier de volwassene tot de maat der dingen wordt genomen. Als voordeel van deze regeling noemt zij verder het belang van de ex-partner van de moeder om geen alimentatie te betalen. Wij vinden dat de vraag of een kind een juridische vader en moeder krijgt, niet ter keuze aan de ouders dient te staan. Het belang van het kind eist volgens ons dat die verantwoordelijkheid een automatisch gegeven is. De wetgever dient dit dan ook als zodanig te verankeren. Daartoe is er het instituut huwelijk.

Zijlstra's opmerkingen over de rechtspositie van de sociale ouder, dat is de niet biologische ouder, passen in een ander kader. Een aparte regeling is hiervoor nodig. Een daartoe strekkend wetsvoorstel 'medevoogdij en gezamenlijke voogdij' is bijna voltooid. Wij steunen dit. Zo'n nieuwe regeling is nodig omdat sociaal ouderschap logischerwijs niet via een automatisme kan worden geregeld. Er zal steeds moeten worden afgewogen tussen de biologische ouders en de sociale ouders die het kind feitelijk verzorgen en opvoeden.

De adoptieparagraaf uit het CDA-rapport '1+1 is samen' is overigens nooit tot partijstandpunt verheven.

Samenvattend: het wetsvoorstel partnerregistratie bevat waardevolle elementen, zoals de publieke erkenning van de lotsverbondenheid van paren van gelijk geslacht. Jammer alleen dat haast en een miskenning van het non-discriminatiebeginsel het voorlopig hebben gewonnen van zorgvuldigheid. Is de wetgever de afgelopen jaren juist niet veelvuldig kritisch aangesproken op de noodzaak van zorgvuldigheid?

mailIcon print |