KAMPEN - Na afloop bekent ds. Richard Vissinga tegen het interview te hebben opgezien. Praten naar aanleiding van zijn vertrek als voorzitter van de gereformeerde synode zou immers onvermijdelijk betekenen dat het weer zou gaan over de roerige januaridagen die tot zijn aftreden leidden.
De kerkenraad van zijn Open Hofkerk gaf hem ruim twee maanden verlof om op verhaal te komen. In die periode heeft hij zijn studeerkamer opgeruimd en intussen geprobeerd de 'affaire' een plekje te geven. Dat is wel gelukt, zegt Vissinga, en hij verlangt ernaar om op 1 april weer in de gemeente aan de slag te gaan: “Eigenlijk gaat het heel goed met me, maar als ik weer met de gebeurtenissen geconfronteerd word, vliegt het me nog steeds naar de keel. Het zal altijd wel een pijnplek in m'n leven blijven.”
In mei 1995 werd ds. R. S. E. Vissinga 'uit het niets' gekozen tot voorzitter van de gereformeerde synode. Dat was verrassend, want meestal was de nieuwe preses iemand die al een paar jaar ervaring had als lid van het moderamen (dagelijks bestuur). Al gauw werd duidelijk dat Vissinga genoot van zijn nieuwe functie. Met zijn joviale manier van doen nam hij velen voor zich in en met name de media wisten hem spoedig regelmatig te vinden. “Een reactie geven op dingen die zich voordoen hoort bij je functie”, zegt hij daarover. “De discussie over het imago van de kerken heb ik altijd heel belangrijk gevonden. Ik ben nooit vergeten wat Piet Halma (de vorige voorlichter van de Samen-op-Weg-kerken) me voorhield: 'je moet duidelijk en positief voor het voetlicht brengen wat je te zeggen hebt. Dat is van des te meer belang als je je realiseert dat de kerk geen centrale positie meer inneemt in de samenleving'. Dat heb ik steeds zo goed mogelijk gedaan.”
Na zijn val is over Vissinga wel gezegd dat hij het slachtoffer is geworden van zijn eigen belustheid op publiciteit. Onmiddellijk nadat synode-adviseur Leen van Drimmelen begin dit jaar in Trouw bekende pedofiel te zijn (wat hij achteraf als stijlmiddel bedoeld bleek te hebben), nam Vissinga het alom in de ether op voor de pedofiel-in-gewetensnood. Hij distantieerde zich van Van Drimmelen toen bleek dat er dubieuze motieven meespeelden, nl. de impliciete verdediging van de wegens seksueel misbruik veroordeelde pastorale werker Ad B., maar toen was het kwaad al geschied. Na enkele turbulente dagen leidde de kwestie tot het aftreden van het voltallige moderamen van de gereformeerde synode; uiteindelijk was Vissinga de enige die definitief het veld ruimde.
Vissinga: “'Hij is tuk op elke microfoon', is er gezegd, maar daar herken ik mij volstrekt niet in. Het is wel zo dat ik het hart op de tong draag. Dat zei mijn moeder altijd al. Dat heeft in dubbele betekenis zijn bekoring. Ik zou die spontaniteit ook niet graag kwijtraken.”
“Wat ik mezelf in deze zaak kwalijk neem, is dat ik me niet van tevoren heb afgevraagd 'waar hebben we het eigenlijk over?' Voor veel mensen is pedofilie gelijk aan seksueel misbruik. Ik had meteen duidelijk moeten maken dat ik seksueel misbruik afwijs. Misbruik is altijd fout. Maar ik blijf van mening dat iemand met een pedofiele geaardheid recht heeft op begrip, ook in het pastoraat.”
“Wat heeft meegespeeld is dat ik in de jaren zeventig betrokken ben geweest bij pogingen om in de kerk voor homo's en lesbiennes veilige plekken te creëren. Een soort schuilplaats. Bij die gelegenheid heeft Ikon-pastor Alje Klamer toen eens voor ons gesproken over onder meer pedofielen.”
Dan is er nog de kwestie-Den Heyer, die tot de crisis bij de gereformeerden zou hebben bijgedragen. Vissinga gelooft niet in het scenario dat behoudende hervormden en gereformeerden de hand hebben gehad in zijn vertrek. Met name de secretaris van de gereformeerde bond in de hervormde kerk Jan van der Graaf is verweten dat hij op een cruciaal moment heeft meegezaagd aan de poten onder Vissinga's stoel, door over Vissinga's optreden in het debat over de verzoening te beginnen. Overigens morden behoudende gereformeerden daarover evenzeer.
Vissinga: “Eigenlijk verdenk ik niemand ervan dat hij op mijn val uit was. Op een gegeven moment gaan de ontwikkelingen zo snel, dan raak je de regie kwijt. Mijn geloofwaardigheid kwam ter discussie te staan.”
De pedofilie-zaak werd in de beste tradities van gereformeerde voortvarendheid spoedig afgehandeld. Intussen was de kwetsbaarheid van de gereformeerde kerken wel pijnlijk bloot komen te liggen. Want het valt niet te ontkennen dat het op zichzelf vervelende, maar korte incident ongekende ontreddering teweegbracht. Er werd gesproken van de onbetaalde rekeningen van het Samen-op-Weg-proces. Niet alleen oud zeer tussen hervormden en gereformeerden kwam naar boven, ook de verdeeldheid van de gereformeerden zelf bleek zonneklaar. Stelt het nog iets voor, luidde de vraag, of is 'gereformeerd' een lege huls waarin ieder vrij het zijne of hare instopt? Waar gaat het eigenlijk nog over in de gereformeerde kerken?
Vissinga: “Het gaat in de kerk om Jezus Christus, om Jezus Christus alleen. Er zijn gereformeerden die precies weten wat dat betekent: 'Jezus Christus en die gekruisigd'. Er zijn er ook die zoeken naar de betekenis van Jezus. Daarmee zijn we pluraal geworden, maar het unieke vind ik, dat er tenminste een gesprek plaatsvindt. Dat kun je van de hervormde kerk niet zeggen. Daar zijn de verschillende geloofsbelevingen gestold in modaliteiten. Bonders en vrijzinnigen hebben niets met elkaar. Bij de gereformeerden is rondom het fundament veel verscheidenheid, maar men praat tenminste. Daar ben ik gelukkig mee.”
Het praat toch gemakkelijker als je voorzitter-af bent, moet Vissinga toegeven. Neem de hervormde synode van verleden week: “Als je er middenin staat, heb je de neiging alle positieve elementen bij elkaar te harken. Nu moet ik eerlijk zeggen dat het me veel moeite kost om nog een graadje warmte voor de kerkfusie bij elkaar te sprokkelen. Binnenkort is hier in Kampen de kerkendag. Hopelijk met duizenden mensen. Dan gaat het om de verzoening, terwijl de protestantse kerken zó in zichzelf verdeeld zijn. Dat kán toch helemaal niet. En kijk waar de behoudende hervormden nu weer op afstevenen: op de hotelkerk van de negentiende eeuw - ze zijn gewoon uit op een reservaat, waar het oude geloofsgoed kan worden bewaard en gekoesterd.”
Vissinga erkent dat er heel wat gereformeerden zijn die de ongerustheid van de orthodoxe hervormden delen wat betreft het belijdende karakter van de nieuwe kerk. Het Confessioneel gereformeerd beraad, de georganiseerde rechterflank van de gereformeerde kerken, heeft de laatste tijd behoorlijk aan aanhang gewonnen. “Ik weet dat er bij velen oprechte zorg is om de kerk van Christus. Wat ik niet herken is dat koesteren van de belijdenisgeschriften, als zou de Here God daarin speciaal gesproken hebben. Die belijdenisgeschriften zijn eeuwen geleden geschreven met het oog op toenmalige controverses - met de dopersen, de katholieken en de humanisten. Je onderschrijft ze wel, als predikant in onze kerken, maar niet zoals je een hypotheekakte ondertekent. Je voegt je in een levendige traditie.”
“Waarover ik mij ook verbaas, is dat mensen in hun geloofsbeleving kennelijk zo afhankelijk zijn van wat dominees en professoren vinden. Dat zie je ook weer met Den Heyer. Hoe kan het dat mensen daarvan zo in verwarring raken? Geloven is toch iets persoonlijks, het is toch door jezelf heengegaan en iets van jezelf geworden. Je bent voor je zekerheid toch niet afhankelijk van anderen.”
Hoe aangevochten die zekerheid kan worden heeft Richard Vissinga in de voorbije maanden zelf ervaren. “Als ik hier in de kerk kwam was er het wonderlijke besef van 'Hoe lieflijk zijn mij uw woningen o Heer'. Wat was het goed even te worden uitgetild boven de ervaringen die er zo diep inhakten. Toen ik in 1995 tot voorzitter werd gekozen heb ik me daar zeer over verwonderd. Ik heb echt geloofd dat ik door God tot dit werk geroepen werd. Nu is het veel moeilijker. Negatieve dingen kun je niet zo gemakkelijk met God verbinden. Ben ik terechtgewezen? Die gedachte is me niet vreemd. Misschien zeg ik dat ooit een keer, maar nu nog niet. We vertillen ons aan dat soort uitspraken. Je moet gewoon oppakken wat er op je weg komt, proberen elke nieuwe dag te beamen. Er blijven dingen waar je niet uitkomt, die je radeloos maken.”
“Ik denk vaak aan die gelijkenis van de boer bij wie tussen zijn tarwe allemaal onkruid gezaaid is. Die boer besluit onkruid en tarwe tegelijk te laten opgroeien, om pas bij de oogst te schiften. Daarmee staat hij aanvankelijk natuurlijk voor gek. Zo'n verhaal is bepalend voor mijn manier van tegen het leven aankijken. Het brengt me niet dichter bij een antwoord, maar het helpt me wel om mijn verbijstering en ongeduld een plek te geven.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.