Echt formeel is de ontvangst bij Gerrit Kraa niet, daar is hij de man niet naar. Maar als je binnenkomt met: “Ik komme oet Eenter en ik zin dr' eene van Klitsen-Gert en Jais-Trui”, is elke plichtpleging overbodig en kan het niet anders of eindigt het gesprek aan de Beerenburg.
Gerrit Kraa (58) is per 1 januari de eerste fulltime dialect- of streektaalconsulent van Twente. Hij is benoemd door het Van Deinse Instituut in Enschede, de Twentse Academie voor Streekcultuur. Geldschieter is de provincie Overijssel, die, om scheve gezichten te voorkomen, maar meteen ook geld heeft uitgetrokken voor een dialectconsulent voor West-Overijssel. Dat het Nedersaksisch door de Europese Unie als taal is erkend, is daar weer niet vreemd aan.
Gerrit Kraa werd geboren in het Twentse Rijssen en verhuisde in 1966 naar Enter om les te geven aan de School met de Bijbel. Hij verdiepte zich al vroeg in de historie van Twente, de cultuur en de verschillende streektalen. Hij heeft verhalen in het 'plat' (wat Kraa volstrekt geen denigrerende term vindt) geschreven, maakte het eerste boek in het dialect voor kinderen, en was mede-organisator van Twentaal, een theaterproductie waarin het dialect als een volwassen taal voor serieuze en ernstige onderwerpen wordt behandeld.
“Mensen willen nogal eens lol beleven aan het dialect, en er zit ook veel humor in, maar het is natuurlijk ook een taal waarin alle facetten van het dagelijkse leven, ook ellende, ontroering, vreugde en verdriet, verwoord worden. Er is een tijd geweest, en bij veel mensen is dat nog zo, dat bijvoorbeeld het geloof zich afspeelde in het Nederlands, de taal van de Statenbijbel wel te verstaan. Ouderlingen, die soms het gewone Nederlands niet eens goed beheersen, die op huisbezoek gaan bij mensen die dat ook niet doen, en die dan voorgaan in gebed in een prachtig oud Nederlands, een soort tale Kanaüns. Het kost veel mensen moeite om in het plat over God en geloof te praten. Dat is gelukkig wel aan het veranderen, de Bijbel, de psalmen en het liedboek zijn in het dialect vertaald, maar sommigen vinden dat praten over geloofszaken in het plat, dicht in de buurt van spotten komt. Gelukkig zijn er anderen die zeggen dat een kerkdienst in het plat ze veel meer raakt en ontroert.”
Later werd Kraa leraar Nederlands aan wat inmiddels de Christelijke Scholengemeenschap Reggesteyn in Rijssen is. Hij verruilt het leraarschap nu voor het consulentschap. “Formeel is de functie voor 30 procent al ingevuld met het zogenaamde Grensoverschrijdende Streektaal onderzoek. Ik moet de Nedersaksische dialecten in kaart brengen en materiaal als woorden en uitdrukkingen verzamelen voor wetenschappelijk onderzoek. Ik ga lekker de boer op om met zoveel mogelijk mensen te kletsen. De overige 70 procent zal opgaan aan de onvermijdelijke beleidsnota's en natuurlijk vooral aan het stimuleren van de streektaal door lezingen, gastcolleges, het organiseren van symposia, manifestaties, het meehelpen aan nieuwe woordenboeken.”
Maar is het niet wat laat. De jeugd spreekt al geen echt plat meer, maar een verbasterd soort Nederlands.
“Ik ben daar minder somber over. Er wordt nog prachtig plat gesproken. Ga eens op de bouw luisteren, daar neemt de jeugd het plat van de ouderen weer over. Bij grote bedrijven als Kondor Wessels (een bouwbedrijf dat internationaal opereert) in Rijssen is het geen nadeel meer als je plat spreekt, misschien eerder een voordeel. In de directiekamers wordt daar plat gesproken. Maar inderdaad, een tijd lang is het dialect genegeerd en zelfs bestreden. Mensen schaamden zich ervoor, kregen een minderwaardigheidscomplex, lieten zich in de hoek zetten door 'slimme' westerlingen en probeerden zich aan te passen. Maar nu is er sprake van een opleving, een nieuwe bewustwording, danig gestimuleerd ook door de Achterhoekse popgroep Normaal, een cabaretier als Herman Finkers en de Mais Girls uit Enter. Het heeft ook te maken met het zoeken naar een eigen identiteit. Ik durf te stellen dat verdere integratie van Europa een stimulans zal zijn voor het opleven van de streektaal, een opleving die zich niet aan nationale grenzen hoeft te houden. Het Westfaals, want daar hebben we het over, wordt ook tot ver in Duitsland gesproken, al zijn de uitspraken verschillend.”
Maar Normaal en Finkers spreken toch geen echt plat. Dat is Nederlands met een zwaar accent. Als ik op mijn werk mijn broer aan de telefoon krijg en het 'keal en gin eane, wat'n vernimpstig wich, het gebeanketeer, het gepöt tuskenbeiln, het reagnt grös en eandeneaiere en het doot heanige dinge' niet van de lucht is, vragen mijn collega's na afloop welk ver buitenland ik aan de telefoon had.
“Mogelijk, maar Finkers en Normaal zijn heel goed voor de bewustwording van de jeugd, die inziet dat je succes kunt hebben met de streektaal. En verder is het plat natuurlijk meer dan het gebruik van oude woorden en uitdrukkingen. Een taal ontwikkelt zich ook, het Nederlands is ook veranderd, we checken en upgraden wat af tegenwoordig. Ik ben er overigens voor kinderen tweetalig op te voeden: tussen twee en twaalf jaar oud leren ze gemakkelijk twee talen. In forceren, kinderen verplicht op school dialect bijbrengen, geloof ik niet. Wel in stimuleren, het gebruik van die taal aantrekkelijk maken. Maar inderdaad, oude woorden en uitdrukkingen zijn wel karakteristiek voor een taal en ik zal ze ook zoveel mogelijk verzamelen. Lachen als een boer met kiespijn is inderdaad iets anders als 'lachen as nen sik in de braandnetels'. En die van 'grös en eandeneaiere' schrijf ik meteen even op.”
Er zijn nogal wat grove uitdrukkingen: als jongens onder elkaar zeiden we over een vrouw met grote borsten: 'Keal en gin eane, watn geer, tien liter an de weg en in thoes zat te soepn'.
“Sommige uitdrukkingen klinken grof, maar zijn het in wezen niet, horen gewoon in het plat thuis. Een moeder zegt in het plat tegen haar kind dat op het potje zit te dralen: 'Alo wich, miengn of drietn en aans van' pot'. Dat kan heel teder klinken, zoals een 'moo' met haar kind omgaat.”
“Een taal is ook meer dan communicatiemiddel, geeft ook aan hoe mensen zijn en met elkaar omgaan. Twenten kiezen vaak voor een indirecte benadering. Iemand wil graag een bepaalde berk van zijn buurman hebben, omdat er een tak in zit met een kromming die hij nodig heeft. Maar die buurman voelt daar niets voor. Dan zegt hij: 'die baarke doar, den zol mie wal anstoan'. Waarop de buurman zegt: 'Jao, ne schiere baarke, mer den steet mie nog niks in de weg'. Einde discussie, de man heeft niets gevraagd en de buurman heeft niet 'nee' gezed. Maar het is duidelijk, het feest gaat niet door.” Twenten hebben het in het verleden nooit zo op gehad met autoriteiten en misschien nog wel niet. Zo ken ik het verhaal van een bakker uit Rijssen die rond de eeuwwisseling naar Almelo moest om voor de rechtbank te getuigen in een zaak rond een burenruzie die licht uit de hand was gelopen. Vraagt de rechter: 'Wat hebt u gezien?' 'Kheb niks ezene, mer kheb wa wat eheurd', zegt de bakker. De rechter: 'Daar schieten we niets mee op, als u niets gezien hebt, kunt u beter vertrekken'. De bakker, lichtelijk geïrriteerd dat hij voor niets dik twee uur heen en twee uur terug had moeten lopen, verlaat de rechtszaal, maar laat bij de deur een stevige wind. De zaal gniffelt en de rechter vraagt beledigd: 'Hoorde ik u daar een wind laten?' Waarop de bakker zegt: 'Ie hebt ne wal eheurd, mer hej ne ok ezene?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.