De AS 109/110: De bevrijding van het anarchisme; uitg. Stichting De AS, postbus 43, 2750 AA Moerkapelle; 118 blz. - ¿ 14,90. Groniek 128, 115 blz., te bestellen door overmaking van ¿ 19,95 op gironummer 149 6758 t.n.v. Stichting Groniek (o.v.v. nummer 128).
Misschien moet eerst worden uitgelegd, wat het anarchisme ook al weer was. Ongeveer dit: een politiek-filosofische verzetsbeweging tegen alle instellingen die de mens in zijn vrijheid beperken - van de staat en het leger tot de kerk en de kapitalistiche onderneming. Die zouden vervangen moeten worden door vrijwillige samenwerkingsverbanden, waaronder communes en bedrijven, bestuurd door de arbeiders zelf.
Het nobele mensbeeld dat hierachter schuilgaat, is volgens de meeste waarnemers niet bestand tegen toetsing aan de alledaagse realiteit. Van het tegendeel overtuigd waren onder anderen Domela Nieuwenhuis, Bart de Ligt, Kees Boeke (wiens school in Bilthoven de monarchie schraagde door de prinsessen Beatrix en Margriet - maar ook Irene - op te leiden) en Anton Constandse.
Als politieke beweging verkeert het Nederlandse anarchisme allang in een toestand die niet van rigor mortis te onderscheiden valt. Constandse (1899-1985), wiens verzamelde brochures tegen kerk en kapitaal met wat verwante geschriften nog altijd voor een spotprijs bij De As te bekomen zijn, gaf aan het eind van de jaren dertig de brui aan de politieke strijd. Hem ontmoedigde het vooruitzicht, “een soort Getuige van Jehova te worden, die de komst van het duizendjarig rijk predikt zonder in deze tijd de weg te kunnen betreden die daartoe voert, behalve in de geest en de verbeelding”.
Wat zich in die laatste domeinen bij Constandse afspeelde, bepaalde decennia lang, en bepaalt hier en daar misschien nog steeds, het gezicht van het Nederlandse anarchisme. Constandse was een rationalist die van de wetenschap veel moois en heilzaams verwachtte, en van de religie niets dan narigheid. Mensen waren voor hem wezens met een min of meer vaste identiteit, toegerust met verantwoordelijkheid en een vrije wil en in principe bij machte om in samenwerking gestalte te geven aan de universele waarden van vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.
Welnu, van die ideeën - zo zet een gastredactie in De AS uiteen - laten de Franse filosofen die het anarchisme nieuw leven zouden moeten inblazen, niets heel. 'Het soevereine Ik' van Constandse devalueren ze tot een verzameling strevingen en ervaringen die door het geheugen bij elkaar worden gehouden. Gelijkheid en rechtvaardigheid hebben ze ontmaskerd als ideologische termen (bruikbaar voor zeer onheilzame politieke doeleinden) en dus afgeschaft als begrippen die als vanzelfsprekend het handelen kunnen rechtvaardigen.
ANARCHISME A LA NIETZSCHE: HEDEN ZUS MAAR MORGEN ZO
De gastredactie van De AS onthaalt haar publiek vooral op een spoedcursus in het gedachtengoed van onder anderen Lyotard, Deleuze, Guy Debord, Foucault en Baudrillard en benadrukt de ruïneuze uitwerking daarvan op de traditionele uitgangspunten van het anarchisme. Welke positieve bijdragen dit gevarieerde Franse gezelschap kan leveren aan de vernieuwing die De AS begeert, blijft vaag tot onzichtbaar.
De enige die deze vraag met enige praktische zin poogt te beantwoorden, is Marli Huijer. Zij - of hij, je weet het maar nooit sinds de anarchie hoogtij viert in het Nederlandse voornamenbestel - meent dat vooral Nietzsche de schare rondom De As een nieuwe weg kan wijzen. Het behoeft geen betoog dat ook Nietzsche weinig gecharmeerd was van de grondslagen waarop Constandse c. s. de mensheid uit haar slavernij en ontrechting meende te kunnen verlossen. Universele waarden en rechten, idealen van gelijkheid en rechtvaardigheid, de vrije wil - de Duitse denker wist er wel weg mee, richting schroothoop.
Toch vindt Marli Huijer in zijn werk aanknopingspunten, niet voor een neo-anarchistisch systeem maar wel voor een dito houding. Wat haar inspireert, is zijn accent op de verscheidenheid van mensen en het unieke van elk individu. Maar ook zijn opvatting dat waarheid en moraal bepaald worden door het perspectief dat een mens hier en nu heeft of kiest - en dat morgen weer anders kan zijn.
Tegen deze achtergrond kunnen, meent zij, anarchisten experimenteren met 'veelvormig, veranderlijk en veelal tijdelijk verzet' tegen de oude vijanden - in kraakcollectieven bijvoorbeeld of in groepen die samen grond voor een stuk bos aankopen om de hoogvliegers van Schiphol een toontje lager te laten zingen.
EEN KIND OP EEN HOBBELPAARD IS DAAR MINDER GESCHIKT VOOR
Kijkend naar een huwelijksportret van Frans Hals wist de historicus Simon Schama vast te stellen dat in de zeventiende eeuw het huwelijk-uit-liefde voorkwam. Dit soort interpretatie van oude beeldende kunst is een hachelijke onderneming. Zo concludeerde Philippe Ariès ten onrechte uit schilderijen dat vóór de achttiende eeuw het kind in de ons vertrouwde betekenis niet bestond. Kinderen werden immers onveranderlijk uitgedost als kleine volwassenen.
Wat Ariès over het hoofd zag, was de functie van de schilderstukken in kwestie. Ze beoogden niet zozeer de alledaagse werkelijkheid weer te geven als wel het prestige uit te stralen van de welgestelde en invloedrijke families die erop vereeuwigd werden. Een kind in hansop op een hobbelpaard werd voor dit doel minder geschikt bevonden.
Het voorbeeld komt uit het Groningse historische tijdschrift Groniek, dat aan geschiedschrijvers en kunsthistorici het thema 'Beeldende kunst als historische bron' heeft voorgeschoteld. Hoe gemakkelijk schilders latere historici om de tuin kunnen leiden, illustreert Wessel Krul aan de hand o. a. 'Het glas absinth' van Degas. Dit lijkt een beeld te geven van sociale misère in een Parijs café, maar toont een door Degas in scène gezet tafereel. Het glas waarachter de mismoedig ogende dame, een actrice, zich geposteerd had, behoorde toe aan haar buurman, een graficus, en bevatte een drank die ze nooit tot zich nam.
Te zeggen dat het glas van Groniek tot de rand gevuld is met dit soort voorbeelden van mogelijke kortsluiting tussen kunst en geschiedkunde, zou overdreven zijn. Veel ruimte wordt door de medewerkende (kunst)historici gevuld met algemene pogingen om hun territorium af te bakenen en zo o. a. de indruk weg te nemen, dat kunstgeschiedenis geen vak apart zou zijn, maar een onderdeel van geschiedenis. De Leuvense geschiedkundige historicus Tom Verschaffel omschrijft het verschil simpel: een historicus gebruikt kunst om het verleden te verhelderen, een kunsthistoricus gebruikt het verleden om kunst te verhelderen. Wie de academische grensconflicten tussen de twee partijen iets genuanmceerder besproken en gerechtvaardigd wil zien, kan veel plezier beleven aan Groniek. Het behelst tevens interviews, voor vakhistorici interessant, met Carlo Ginzburg en met Peter Brown, die en passant “de samenlevingen in Joegoslavië net zoveel recht op begrip en empathie (toekent) als de mensen van de Late Oudheid, die ook verschrikkelijke dingen deden”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.