Kardinaal Simonis heeft de verbazing van minister van volksgezondheid Borst opgeroepen door een direct verband te leggen tussen het redeloze straatgeweld en de abortus- en euthanasiepraktijk.
Hij constateerde afgelopen zaterdag dat in onze samenleving het meest fundamentele recht, het recht op leven, wordt geschonden. Jongeren leren dat abortus en euthanasie gewoon moet kunnen. Met zo'n visie worden ze opgevoed. Als doden in die gevallen mag, waarom zou je anderen dan niet doodtrappen als ze in de weg staan? Aldus de kardinaal.
De verbazing van de minister over deze uitspraken is te begrijpen, want voor het causale verband dat de aartsbisschop legt bestaat geen aanwijzing. Het is daarentegen te verdedigen dat de regelgeving die abortus en euthanasie in uitzichtloze noodsituaties mogelijk maakt, juist uit respect voor het leven is voortgekomen.
Dat neemt niet weg dat de vraag kan worden opgeworpen of jongere generaties die de diepgaande debatten niet hebben gevolgd (de abortusdiscussie dateert al van twintig jaar geleden), dat ook zo ervaren. Tegen die achtergrond blijft een kritische publieke toetsing van de praktijk onverminderd geboden.
De kardinaal plaatste zijn opmerkingen in het ruimere kader van zijn kritiek op wat hij de economisering van de maatschappij noemde, de eenzijdige gerichtheid op het materiële welzijn en de verwaarlozing van de sociale en morele aspecten van het samenleven. Had hij ter illustratie gewezen op de manier waarop we met ons slachtvee omgaan of hoe lijdzaam we allerlei geweld op de televisie over ons heen laten komen, dan had hij vermoedelijk in bredere kring een welwillend oor getroffen.
Daarom is het jammer dat hij zich zo ongenuanceerd uitliet. Want de kernvraag, hoe het staat met ons respect voor het leven in ruime zin, mag niet alleen, maar moet voortdurend worden gesteld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.