*

 
dossier

Archief

Wij zeepaardjes

HENDRIK VAN TEYLINGEN − 09/12/97, 00:00

Wij zeepaardjes begrijpen er niets van. Als enigen in het dierenrijk dragen wij, de hengstjes, de embryootjes van onze soort in de vaderschoot. We vragen ons af hoe dat te rijmen valt met professor Darwins wet van 'survival of the fittest'. Waar alle andere levendbarenden uit de moederschoot geboren worden, zodat je zou zeggen dat survival of the fittest alles te maken heeft met gebaard worden door moeders, worden wij sinds zeepaardjesheugenis gebaard door vaders en toch blijven we maar overleven alsof het niets is. Zouden wij misschien door professor Darwin zijn overgeslagen? Of horen we soms nergens bij?

Een verdrinkende scheepsarts meldde ons dezer dagen in het voorbijgaan dat onder de mensen, die zeggen dat zij de top van de evolutie vormen, de wijfjes hun schoot steeds minder voor het dragen van embryo's openstellen en jonkies die zich er toch in proberen te nestelen er even hard weer uit laten peuteren. Tegelijk worden de mensenmannetjes, hoe zullen we het zeggen, steeds 'moederlijker'. Ze beginnen steeds meer te zorgen voor de kleintjes die erin slagen de moederschoot te overleven. Zouden ze zich stilletjes, eerst uiteraard onbewust maar geleidelijk aan met steeds meer bewust verlangen, dat echter niet zonder gevolgen zal kunnen blijven (alles zit immers tussen de oren), voorbereiden op het vormen van een eigen broedbuidel á la ons zeehengstjes?

We durven het bijna niet te opperen maar toch moeten we een keer de stoute badschoentjes aantrekken. . . Het is zo'n verbijsterende gedachte. . . Zou het kunnen zijn, murmelen we elkaar toe terwijl we met onze staart in het wier gehaakt allemaal schuin opzij hangen in de onderstroom, zou het misschien kunnen zijn dat het embryo-dragen door moeders evolutionair gesproken onder de andere levendbarenden zijn langste tijd heeft gehad?

En zo theoretiseren we een beetje verder. Als de top van de evolutie, de mens, uiteraard zoals altijd in het kader van survival of the fittest, de mannetjes inderdaad laat vermoederen, dan zullen de andere levendbarenden in de loop van de komende evolutionaire tijdperken wel moeten meekomen, anders gaan ze eraan. Daarin lijkt professor Darwin onverbiddelijk. Als vaderbaren eenmaal het parool blijkt voor wie als sterkste wil overleven, dan is het ook vaderbaren geblazen over de hele linie. Of denken we met onze piepkleine hersentjes soms te simplistisch? Springt zo'n transformatie misschien niet van de ene soort over op de andere?

Maar stel tóch - even brutaal zijn maar - dat het allemaal werkelijk zo zou zijn zoals wij het hier onder water onderling bemijmeren, van die algehele evolutionaire omslag van moederbaren naar vaderbaren, dan vragen we ons in gemoede af hoe we onze positie in al dat geëvolueer zullen moeten beoordelen. Blijken dan dus niet de mensen de evolutionaire koplopers te zijn maar wij zeepaardjes?

En hoeven we ons dan verder nog iets van professor Darwin aan te trekken, die in dat geval niet meer dan een achterop lopend mensenmannetje is en die ons hoe dan ook zo bedenkelijk heeft miskend?

De ouderen onder ons hebben weet van een overleving, luidende dat ooit, toen de oceaan nog vrij van zeepaardjes was, er vanuit de hemel een paar ton van ons tussen de reeds rondwemelende waterbewoners in werden gegooid. Niks evolutie dus.

Dat strookt met een tekst die we laatst in een gezonken tanker vonden, The Book of the Damned, van Charles Fort. Daarin lazen we dat er met tussenpozen allerlei levende wezens uit de lucht komen vallen, maar dat professor Darwin en de zijnen daarbij de hele tijd de andere kant uit kijken.

Als dat waar is, van dat neerkomen van levende wezens zomaar ergens uit de lucht, en dat niet eens tijdens wervelstormen, die ze ergens vandaan zouden hebben kunnen omhoog sleuren en elders weer neersmijten, wat is er dan waar van de evolutie? Charles Fort vertelt van een bonk van een schildpad die in een uit elkaar splinterende ijsklont ergens neersmakte en dadelijk op zoek ging naar een geschikte biotoop.

Lieve God nog aan toe, murmelen we elkaar scheefhangend in onze onderstroom toe, almachtige Schepper van hemel en aarde, bestaat U dan misschien tóch?

mailIcon print |