Voor elke Albanees is het een grote mythe - de mythe van de slang. In elk huis woont een slang en het is zaak hem te koesteren, want dan brengt hij geluk aan allen die in dat huis wonen.
De in Kosovo wonende schrijver-dichter en econoom Ajri Begu heeft de mythe uitgewerkt tot een toneelstuk, dat één keer met groot succes is opgevoerd in Skopje, de hoofdstad van buurland Macedonië, een land waarin ook veel Albanezen wonen en de vrijheden iets groter zijn dan in het door Serviërs overheerste Kosovo. In het toneelstuk van Begu brengt de slang echter geen geluk meer. Het dier wil de baas spelen in het huis en de bewoners raken angstig. De oudere huisgenoten durven niets te ondernemen tegen de slang, bang dat ze daarmee rampspoed zullen aanhalen. Maar de jongeren zetten uiteindelijk hun bijgeloof opzij en doden het wilde dier.
De betekenis is zonneklaar voor wie de verhoudingen in Kosovo kent en daarmee is ook het succes van het stuk onder de Albanezen verklaard. Toch ontkent Ajri Begu dat het stuk een chauvinistisch tintje heeft. “Ik heb de mythe universeel gemaakt. De Serviërs kunnen het stuk net zo goed waarderen. Zij zullen het Albanese volk in Kosovo als de slang zien.”
Ajri Begu is een denker. Hij heeft met de dichter-politicus Ibrahim Rugova het beginselprogramma van de LDK, de Albanese beweging in Kosovo, geschreven. Toen de LDK meer en meer een politieke partij werd en er met ellebogen werd gewerkt, is Begu terzijde gaan staan. Hij zag meer in een brede volksbeweging dan in een politieke partij, maar verloor die slag en geeft nu alleen nog desgevraagd adviezen.
Begu was ooit hoogleraar economie en verloor uiteindelijk zijn baan als afdelingsdirecteur van de Nationale bank voor Joegoslavië. Hij stelde met een groep intellectuelen een manifest samen met een oproep openlijk in verzet te komen tegen de nieuwe grondwet van de Federale Republiek Joegoslavië, die in 1989 de Albanezen elk uitzicht op de vurig gewenste zelfstandigheid ontnam. Sindsdien is Begu werkloos en zonder inkomen, zoals vrijwel alle 2 miljoen Albanezen in Kosovo. Alle banen zijn ingenomen door Serviërs, die met zo'n 200 000 zielen een minderheid vormen in Kosovo. De Albanezen beschouwen de Serviërs als bezetters van hun grondgebied en zijn in alle opzichten ondergronds gegaan. De schaduweconomie bestaat uit onderlinge dienstverlening en wordt vrijwel alleen gevoed door vaders of broers die in het buitenland hun geld verdienen.
Begu had begin jaren negentig nog reserves om met vrouw en twee zonen (16 en 20) van te leven, maar inmiddels is al het geld op. Vorig jaar is de auto verkocht en ook de opbrengst daarvan is uitgegeven. De stadsverwarming is al afgesloten, de elektriciteit gelukkig nog niet. Met elektrische kacheltjes weet de familie de ergste kou te verdrijven.
Ajri Begu is 47. Hij klaagt erover dat hij door al dat nietsdoen lethargisch is geworden. Hij heeft moeite zich te concentreren en schrijft daarom al lang niet meer. 's Avonds kan hij de slaap niet vatten en 's morgen kan hij zijn bed niet uit. Na de gewelddadigheden van begin maart in de dorpen van Drenica is hij weer begonnen met roken. Hij jaagt er inmiddels weer twee pakjes per dag doorheen.
De tv is zijn enige vertroosting. Met de schotelantenne, die vrijwel alle Albanese huishoudens op het dak of aan het balkon hebben hangen, vallen vele zenders te ontvangen. Zoals de Albanese tv uit Tirana en de uitzendingen die de Voice of Amerika verzorgt, met nieuws uit de Balkan in lokale talen. Hij kijkt er uren en uren naar. De documentaires over de geschiedenis van Albanië en gedichten en liederen waarin de grootsheid van Albanië wordt bezongen, beroeren hem meer dan hij wil weten. Hij is af en toe tot tranen geroerd. Begu is niet gelovig, zoals de religie er niet veel toe doet in Kosovo. “Albanië is onze religie”, zegt hij.
De emotionele crisis slaat juist nu toe bij Begu en ook bij anderen, omdat het allemaal langer duurt dan gedacht en hij het wachten beu is. “Acht jaar”, zucht hij steeds, “acht jaar al duurt de armoe en de onderdrukking. Als er niet nu een oplossing komt, slaat de ontreddering toe. Dan komt er een einde aan het lijdzaam wachten.”
De leegloop is enorm. De Albanese stadsbevolking in Kosovo brengt haar tijd door met nietsdoen. Midden op de dag gaat iedereen even naar de stad, naar de overvolle bars om op een bescheiden kopje koffie urenlang de stand van zaken door nemen. Het gaat, zeker de laatste weken, uitsluitend over 'de zaak', de Albanese onafhankelijkheid en de steun van de wereld, die al dan niet komt. De Albanese verwachtingen zijn hoog gespannen, te hoog. Maar waarschuwingen dat de Navo niet zomaar komt ingrijpen, worden in de wind geslagen. De onafhankelijkheid komt er hoe dan ook, daar is iedereen van overtuigd.
's Avonds is de stad uitgestorven. Niemand begeeft zich in het donker op straat. De Albanese uitbaters zijn echter gedwongen hun lege zaken tot elf uur 's avonds open te houden. De Servische machthebbers eisen een normaal straatbeeld, waaraan niet te zien is dat Kosovo 'bezet' is en de bevolking in angst leeft, daarom wordt streng opgetreden tegen te vroeg gesloten bars. De deuren worden verzegeld tot een forse boete is betaald. Het helpt niet de verloederde stad enig aanzien te geven. De slecht onderhouden winkelcentra van mislukte moderne architectuur zijn vuil en zelfs bij daglicht onheilspellend.
Maar ook de Serviërs zijn bang. Ze weten dat het broeit onder de Albanezen en vrezen dat de regering in Belgrado hen onder druk van de wereld in de steek zal laten. De wereld is in hun ogen immers anti-Servisch. Zij geloven stellig dat er veel wapens zijn en vrezen de dag dat de Albanezen openlijk in opstand komen.
Bosko Drobnjak, de Servische minister van informatie in Kosovo, erkent dat. “Iedereen heeft het recht om ergens bang voor te zijn”, zegt hij. Hij probeert de onrust weg te nemen met de verzekering dat zijn mensen niet in de steek worden gelaten. “Servië doet wat ze kan, in de huidige omstandigheden. Het is moeilijk de bevolking gerust te stellen. Ze zijn in de minderheid en ze worden al jaren dwarsgezeten. Maar de staat moet en zal voorwaarden blijven scheppen zodat zij in vrijheid kunnen leven.”
Na elke aanval op Albanese dorpen die de Serviërs kenschetsen als 'broeinesten van terrorisme', worden grote hoeveelheden buitgemaakte wapens getoond. Tot woede van de Albanezen, die volhouden dat er geen wapens zijn. “Als er zoveel wapens zouden zijn, hoe komt het dan dat er maar zo weinig slachtoffers vallen aan Servische zijde? Die Servische troepen moeten wel fantastische militairen zijn of ze vallen weerloze slachtoffers aan”, luidt het Albanese verweer aan de koffietafels. Albanese schoolkinderen die ter bestrijding van trauma's aan het tekenen worden gezet, schilderen babys en moeders die door Servische militairen worden gemolesteerd. Telkens weer staat boven het bebloede wiegje de zin gescheven: 'Ben ik een terrorist?'
Het leven op het platteland verschilt sterk met dat in de stad. De Albanezen leven in grote families, waarin de vader het voor het zeggen heeft. Hij bepaalt niet alleen de familiezaken maar ook de politieke lijn. De traditie speelt hier een grote rol. Het cultuurverschil vergroot het wantrouwen. In de ogen van de Serviërs baren de Albanezen zoveel kinderen om de Serviërs verder in aantal te overvleugelen. Vader Jashari, die met zijn familie op 5 maart is vermoord, werd door de Albanezen altijd al 'de terrorist' genoemd - alleen omdat hij zoveel kinderen op de wereld zette. Ten westen van Pristina in het dorpje Hade woont de familie Restelica met z'n negenen letterlijk op de rand van de afgrond. Hun land wordt weggevreten door de bruinkoolmijn, die een immense oppervlakte van vele hectaren afgraaft. De rand van de mijn is het huis van de Restelica's tot op vijftig meter genaderd en geregeld vallen er meters in de afgrond. Acht jaar geleden is hen een ander huis beloofd in de stad, maar ze wachten nog steeds. De duizenden Servische vluchtelingen uit Bosnië die de regering hierheen stuurt om het aantal Serviërs op te vijzelen, gaan voor, denken de Albanezen. Het dorp is arm, de op zich vruchtbare grond levert te weinig op om van te leven. De boeren trekken met de hand de ploeg over de akkers. Er zijn geen ossen, laat staan tractoren. Geregeld moeten ze naar de stad om eten te kopen. De stofwolken van de mijn bedreigen de gezondheid. Het water van de put is vergiftigd en alleen geschikt om het huis schoon te maken.
Muhamet Restelica klaagt erover dat de Servische politie een paar keer per jaar zijn woning binnenvalt. Er hoeft maar een oud plastic tafeltje bij de mijn te zijn verdwenen of de politie verdenkt de familie van diefstal. Onder dat voorwendsel wordt dan het hele huis uitgeplozen. Muhamet denkt dat ze naar wapens zoeken.
Nu nog leven de Serviërs in de bovenwereld en de Albanezen ondergronds. Ze hebben beiden hun waarheden. Beide bevolkingsgroepen geloven dat de geschiedenis hen gelijk geeft en dat het grondgebied van Kosovo hen toebehoort. De Serviërs zeggen pathetisch dat zij in een identiteitscrisis zullen raken als zij Kosovo verliezen. Om dat te onderstrepen hebben de Serviërs een groots monument neergezet op het Merelveld in Kosovo Polje, op de plek waar zij in 1389 een grote veldslag van de Turken verloren. Ook de vele orthodoxe kloosters in het gebied worden aangevoerd als bewijs dat de Serviërs er altijd al waren.
Maar de Albanezen wuiven die argumenten terzijde. “Die kloosters zijn van ons. Die zijn gebouwd toen wij voor de Turkse bezetting nog katholiek waren.” Flora Bovina (48), echtgenote van Ajri Begu, legt dikke boeken op tafel. Boeken met kaarten waarop Kosovo nog tot Albanië behoort, zoals voor 1912, of beter: samen met Albanië deel uitmaakt van het Ottomaanse rijk. Boeken met afdrukken van ikonen en frescos in kleur, geschilderd door Albanezen. Veel figuren dragen Albanese kledingstukken, maar wat vooral in het oog springt is het heldere warme rood dat in veel voorstellingen voorkomt. “Albanees rood”, zegt Flora, de kleur van de Albanese vlag. Na een reis naar het Albanese plaatsje Berat, waar vele fresco's te bewonderen zijn, schreef ze er in vervoering een gedicht over, dat ze voordraagt uit een van haar bundels.
Flora Bovina is arts. Ze werkt twaalf uur per dag, zeven dagen per week. Haar kinderen klagen daar over, maar ze beseffen dat de nood hoog is en dat moeder niets liever doet dan zorgen voor anderen. Haar consult is gratis, omdat haar patiënten niets hebben om mee te betalen. Ze was als een van de eersten in het dorpje Prekaz, waar de familie Jashari woonde. Ze verzorgt nog steeds overlevenden op schuiladressen in Pristina. Ze is voorzitter van de Albanese vrouwenbond, die emancipatie onder Albanese vrouwen probeert te verwezenlijken. Ze organiseerde de laatste weken stille protesten van duizenden vrouwen in Pristina. Op alle foto's staat ze vooraan.
Flora Bovina houdt nauwgezet documentatie bij van alle gebeurtenissen. Cijfers, aantallen, getuigenissen. Ze deed dat ook al van de slachtoffers van de mysterieuze aanval met gifgas op Albanese scholen in 1990, toen duizenden schoolkinderen met ademhalingsmoeilijkheden en huidklachten in het ziekenhuis terechtkwamen. De Serviërs schuiven dat verhaal als absurd terzijde, maar Bovina komt met foto's video's, namen en rapporten van artsen uit het buitenland die haar verhaal staven. Nog steeds heeft ze patiënten onder behandeling die volgens haar nog altijd te lijden hebben van de gevolgen van de gifaanval. Flora Bovina zeurt niet over geld, maar anderen wijzen er namens haar op dat ze dringend sponsers behoeft. Een computer om alle data in op te slaan, zou al heel mooi zijn.
Een van de overlevenden uit Prekaz die aan de zorg van Bovina zijn toevertrouwd, is Samedin Jashari. Hij is als neefje lid van de familie wier leden in Kosovo tot martelaren zijn geworden. Hij is negen jaar oud en houdt sinds de slachtpartij van 5 maart een dagboek bij. Albanezen trekken de vergelijking met Anne Frank, maar zo literair is het verhaal, dat inmiddels al wel bij de drukker ligt, niet. Aangrijpend is het wel. Het kleine, blonde ventje heeft in een schriftje beschreven hoe hij de overval van de politie op zijn dorpje heeft beleefd, hoe hij onder het bed is gekropen en uiteindelijk met vrouwen en andere kinderen is ontkomen. Hij woonde in Prekaz, maar heeft niet kunnen zien wat zich heeft afgespeeld in het geheel verwoeste huis van Shaban Jashari, waar de meeste slachtoffers vielen. Hij weet dat zijn vader is omgekomen, maar heeft het niet zien gebeuren.
Hij kende zijn vader nauwelijks, omdat die al jaren in Duitsland werkte om de kost te verdienen voor de familie. Begin dit jaar keerde hij terug naar Kosovo. Samedin: “Ik miste mijn vader heel erg en juist toen hij terugkeerde, schoten de Servische militaren hem dood. Ik heb zijn naam in mijn handpalm geschreven. Die naam zal daar altijd blijven staan.”
Een dialoog moet verder bloedvergieten in Kosovo voorkomen. Op dit moment bereiden beide partijen zich voor op de onderhandelingen. De stellingen worden betrokken - maar de deelnemers zijn tamelijk onverzoenlijk. Bosko Drobnjak, minister van informatie in Kososvo, herhaalt de Servische opvatting dat de grondwet van Joegoslavië de Albanezen al autonomie biedt, maar dat de Albanezen zelf, door een boycot van de staatsinstellingen, weigeren er gebruik van te maken. “En zelfstandigheid, dat kunnen ze vergeten. Daarmee zou Servië het eerste land zijn dat grondgebied opgaf. Dat zou de deur openzetten naar wijzigingen van de grenzen in Europa. Dan zouden de Basken, de inwoners van Corsica en de Hongaren in Vojvodina ook komen aankloppen.”
Naim Jerliu, de 27-jarige vice-president van de ondergrondse Albanese regering, windt er geen doekjes om: “We zullen zien wie er uiteindelijk de onderhandelingen over de status van Kosovo gaat winnen. Wat ons betreft is dat het volk van Kosovo.” Het aanbod van de Serviërs, een autonomie binnen de grenzen van Joegoslavië, is volstrekt onvoldoende en zelfs de zelfstandigheid van Kosovo is niet het einddoel. “De zelfstandigheid is een compromis, het uiteindelijke doel is aansluiting bij Albanië”, zegt de vice-president, die koud de jongerenafdeling van de LDK heeft verlaten. Hij maakt een bliksemcarrière, nadat zijn baas, 'president' Rugova, alle critici uit zijn omgeving liet verwijderen. Rugova is uit tactische overwegingen meestal omzichtiger over het moederland Albanië, maar wie je ook spreekt in Kosovo, erkent het volmondig. De gedachte aan een Groot-Albanië is opmerkelijk sterk, ondanks de chaos in het moederland.
De Albanezen kennen hun geschiedenis. Na de eerste Balkanoorlog is hun land in tweeën gesplitst. Na de ineenstorting van het Ottomaanse rijk en de onafhankelijkheid van Albanië, in 1912, werd Kosovo 'vergeten' en aan de buurlanden, waaronder Servië, gelaten. En recentelijk, bij de vrede van Dayton waarmee in 1995 de oorlog in Bosnië werd beëindigd, is opnieuw 'vergeten' een regeling voor Kosovo te treffen.
De Albanezen wachten al lang op aansluiting en hebben zich tamelijk lijdzaam opgesteld. Maar de verhoudingen tussen beide bevolkingsgroepen wordt almaar scherper. De meeste oudere Albanezen groeten hun Servische buren nog in het Servisch: 'dobar dan'. Ook de politie staan ze netjes te woord in het Servisch, bang als ze zijn dat de wetsdienaren nerveus worden.
De jongeren zijn daar demonstratief mee gestopt - zij vrezen de mythologische slang veel minder dan de ouderen. Ze zitten al jaren op hun ondergrondse Albanese scholen en hebben nog maar weinig Servische contacten. Ze zeggen niets of op zijn best 'mirdita', op z'n Albanees. “Daar moeten ze maar aan wennen”, aldus een van hen, “want eens komt de dag dat wij het hier voor het zeggen hebben.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.