DHAKA - De fax en de vergadertafel zijn nog in bestelling, maar de zaak draait al op volle toeren. Ejaz Ahmed leidt rond door zijn nieuwe fabriekshal. De muren zijn helder wit, de naaimachines draaien op elektriciteit, de TL-balken zoemen. Alles werkt en iedereen is druk. Ahmed verschaft zo'n 250 Bengalen een behoorlijke baan.
Als baas gaat hij gekleed in de stof die hij exporteert: jeans. Zowel zijn bloes als broek is gemaakt van blauwe spijkerstof. Het is moderne westerse kleding die bijna niemand in Bangladesh draagt. Maar Ahmed zit het als gegoten; jeans is voor hem de toekomst. Maar dan moet de stroom niet te vaak wegvallen. En de politiek dient zich rustig te houden.
Zoals iedereen in Bangladesh heeft Ahmed de afgelopen 22 maanden zo'n beetje om de andere week verplicht thuis gezeten. Dat kwam steeds doordat de oppositie tegen het bewind van premier Khaleda Zia weer eens een hartal, een algemene staking had uitgeroepen. Hartal is in het Zuidaziatische land de term geworden voor een bijna uitzichtloze crisis.
“Als je het waagt ondanks de oproep tot staking toch aan het werk te gaan”, vertelt Ahmed, “ben je je leven niet zeker. Dan staan ze hier binnen de kortste keren buiten aan de poort. Het begint met schreeuwen en joelen, maar vaak genoeg gaan ook de stenen door de ruiten. Niemand komt dan ook aan werken toe. Je kunt maar beter thuis blijven.”
De man die spijkerbroeken laat maken en uitvoert, wil geen politiek oordeel geven over het fenomeen hartal. “Ik heb geen verstand van politiek, ik heb verstand van knopen en ritssluitingen.” Feit is wel dat elke verloren arbeidsdag hem ongeveer twaalfduizend gulden aan inkomsten scheelt. Voor Bengaalse begrippen is dat een fors bedrag.
Iedereen heeft van de hartals te lijden. Ook de importeur van de spijkerbroeken. “Het is gewoon rampzalig”, zegt Marielle Yocarini, die voor de Nederlandse firma Miller zaken doet in Bangladesh. “De stoffen komen de haven niet uit, de vrachtwagens kunnen de weg niet op. Als je in Nederland geen voorraad hebt opgebouwd, zit je soms weken zonder spullen.”
Bengaalse zakenlieden hebben het economisch verlies per hartal geschat op ongeveer honderd miljoen gulden. Dat is meer dan een arm land van 120 miljoen mensen zich kan veroorloven. Bangladesh doet dappere pogingen aansluiting te krijgen bij de wereldeconomie en steeds minder afhankelijk te worden van buitenlands geld. Tot nu toe zijn grote successen uitgebleven.
Niet thuis
De Awami Liga, de grootste oppositiepartij, wenst de verantwoordelijkheid voor de schade aan 's lands economie niet te dragen. “Laat het zo zijn dat het land dertig dagen per jaar niet aan het werk is”, zegt Abdul Jalil, algemeen secretaris van de Awami Liga, “dan houd je altijd nog 335 dagen over. Dan is het aan de regering. Maar de regering doet helemaal niets.”
Met dat laatste is niet iedereen het eens. De regeringspartij, de BNP, kwam in 1991 aan de macht met een pleidooi voor een meer geliberaliseerde economie. “De eerste drie jaren verliepen heel behoorlijk”, zegt Hosain Rahman, een man die leiding geeft aan het onafhankelijke onderzoeksbureau BISD. Pas de laatste tijd komen bepaalde sectoren onder druk te staan.”
“De stakingen spelen zich toch voornamelijk af in de steden”, meent Rahman. “Op het platteland, waar nog steeds zo'n 70 procent van de bevolking woont, heeft men helemaal niet zo veel last. Het economisch leven daar is voor het grootste deel afhankelijk van de initiatieven die de mensen er zelf nemen. Hun veerkracht is ook behoorlijk groot.”
Nog steeds leeft ruim 45 procent van de Bengaalse bevolking onder de armoedegrens. Toch ziet Rahman “kleine verbeteringen” optreden. “De extreem armen zijn er niet beter op geworden. Maar de mensen daar net boven hebben geprofiteerd van zaken zoals een goede oogst, enkele jaren achtereen, en toegang tot kredieten. Ook hun gezondheidssituatie is iets verbeterd.”
Rahman ziet de hartals die Bangladesh al bijna twee jaar plagen vooral als een uiting van “politieke lethargie” die steeds dieper inslijt en “uiterst zorgwekkend” is. Het land heeft een economische groei van minstens acht procent nodig om de gevolgen van de bevolkingsgroei te overstijgen. Een dergelijke groei lijkt niet in het verschiet.
Zeker niet met de verkiezingen van half februari voor de deur. Zo heeft de regerende BNP bij voorbeeld haar programma van privatisering van een aantal volstrekt inefficiënt opererende staatsbedrijven zo goed als stilgelegd. Privatiseren kost op de korte termijn banen. Werkloosheid kost de regering stemmen. Premier Khaleda Zia wenst haar handen er niet aan te branden.
Daar komt bij dat Bangladesh de afgelopen jaren geleid is door een vrouw die door vriend en vijand gezien wordt als iemand die geen leiding kan geven aan economische hervormingen. Het gebrek aan scholing - Zia heeft de middelbare school niet afgemaakt - is in haar geval niet gecompenseerd door talent, werkkracht en inventiviteit.
“De premier heeft volstrekt geen idee hoe een economie werkt”, zegt Rehman Sobhan van de organisatie CPD, die onlangs een uitvoerige studie heeft uitgevoerd naar de Bengaalse economie. “Zij is een moedige vrouw, maar haar kennis van economie is nul. Zij kan proberen anderen na te praten, maar van haarzelf is niets te verwachten.”
Sobhan is iemand die niet gelooft in ernstige gevolgen van de stakingen die de oppositie steeds afkondigt. “Het probleem is structureel. Een staking kun je met een dag overwerk weer goedmaken. Maar de regering zelf voert feitelijk een beleid van 'geïnstitutionaliseerde hartals'. Niet om de andere week, maar elke dag, alle jaren door.”
Incompetentie
De economisch deskundige lijkt van zijn eigen woorden te schrikken. “U moest het misschien maar niet uit mijn mond citeren, maar als je kijkt naar alle stroomstoringen, alle gebreken op het gebied van de infrastructuur, alle volstrekt incompetente bureaucraten en noem maar op, dan biedt het geen vrolijk beeld.”
Sobhan meent dat de regering van Bangladesh, uit welke van de bestaande partijen deze ook zou bestaan, “een half jaar” kan gaan slapen zonder dat iemand het verschil merkt. “Het tempo van deze economie ligt erg laag, de prestaties zijn gering. Soms schaam je je zelfs voor alle buitenlandse donoren.”
Toch is de afhankelijkheid van donoren voor de ontwikkeling de afgelopen jaren teruggebracht van negentig tot ongeveer zestig procent. “We willen handel in plaats van hulp”, is al enige tijd het officiële credo van het kabinet. Enige handel vindt ook wel plaats, met name in de textiel. Maar van werkelijk belangrijke buitenlandse investeringen is bijna geen sprake.
“Door de politieke crisis”, zegt een westerse diplomaat, “merk je dat de zaak gaat stagneren. Investeringen gaan meer over 'plannen' dan over praktische zaken. De overheid raakt stuurloos.” Ook de agenda voor economische hervormingen is nu van tafel. Donoren die 'goed bestuur' als criterium hanteren voor hulp, hoeven voorlopig niet naar Bangladesh.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.