In mijn bijdrage in Letter & Geest van 6 september verdedig ik de autonomie van het literaire werk. Ik doe dat in een discussie met literatuurwetenschappers die een ideologiekritische literatuurbenadering bepleiten. Expliciet zeg ik: 'Ik ben er helemaal niet tegen om een gedicht te lezen in zijn (maatschappelijke) context, maar nodig voor een literair oordeel is die (..) niet'. Hoe de dames Sneller en Verbiest (Podium, 11 september) daaruit menen af te leiden dat 'de auteur niet wenst te discussiëren over een andere manier van lezen dan hij zelf voorstaat' is mij een raadsel. Het is toch niet mijn taak in het debat om een pleidooi voor andermans opvatting te houden?
Vervolgens laat ik zien tot welke uitwassen een ideologiekritische benadering van literaire teksten kan leiden door te bespreken hoe Maaike Meijer en de haren met literatuur omgaan. Mijn verwijt, dat ik met tal van voorbeelden staaf, is dat ze niet slechts, zoals Sneller en Verbiest menen, 'politieke implicaties in een tekst serieus nemen', maar veel verder gaan: ze deinzen er niet voor terug lezers die hun interpretatie niet volgen van racisme te beschuldigen en de auteurs (of hun personages) van die in hun ogen politiek incorrecte teksten met ondeugdelijke argumenten in de beklaagdenbank te zetten.
Volgens ideologiecritica Mieke Bal bijvoorbeeld wordt homofobie in Du Perrons 'Het land van herkomst' 'bijna opgeroepen' en vinden lezers 'die homofobe ondertoon kennelijk heerlijk of geruststellend'. En als je een banaal Afrikaans gedicht anders leest dan Maaike Meijer, dan produceer je 'racistische kennis'. Weer een andere ideologiecritica maakt van de brave Nescio over het hoofd van zijn Dichtertje een seksist.
Ik verzet me daar fel tegen, niet door maar wat te roepen en te schelden, maar door een controleerbare tekstinterpretatie. Helaas hebben de dames de discussie uit mijn naam gesloten verklaard, en achten zij zich via deze tournure ontslagen van de plicht mijn argumenten te bestrijden.
Nee, dan liever wat onzindelijke suggesties: er is 'nauwelijks een analyse nodig om het racistisch gehalte in deze (= mijn, Em.K.) uitlatingen te onderkennen.' Dat naar aanleiding van mijn opmerking dat onze Westerse canon, om te beginnen met de werken van de Verlichting, me zowel voor blanken als voor zwarten prima lectuur lijkt. Verder zou ik de mensen niet als individu kunnen zien, en denken in collectieven, 'een van de duidelijkste manifestaties van negatieve discriminatie'.
Zo'n opmerking illustreert nu precies wat ik in mijn stuk beweerde: de aanhangers van de ideologiekritische benadering kunnen niet lezen. Ik reageer namelijk op Meijer en Van Alphen, die juist zelf dit idiote onderscheid tussen 'ons' (blank) en de 'ander' (zwart) maakten, maar dat ontgaat Sneller en Verbiest. De beide dames blijken ijverige leerlingen van de ideologiecritici: eerder maakte Bal van mij als Du Perronaanhanger een homofoob, nu ben ik ook al een racist en zodra ik Verbiest en Sneller vertel dat negatieve discriminatie voor mij een pleonasme is, zal ik ook wel seksist zijn. Dat is alles wat ze presteren als ze tegenstanders bestrijden: hun eigen troebele, onopgeloste conflicten op anderen projecteren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.