*

 
dossier

Archief

Küng en het CDA

JAN GREVEN − 13/05/95, 00:00

De Duitse theoloog Hans Küng heeft voor een bezinningsbijeenkomst van het CDA een krachtig pleidooi gehouden voor eenheid en saamhorigheid, die niet alleen het verschil tussen protestant en katholiek, maar ook dat tussen de verschillende godsdiensten, en zelfs dat tussen gelovigen en niet-gelovigen overstijgt. Dit zeer oecumenische betoog (u vindt het elders in deze krant) leek eerst even in schrille tegenstelling tot een bericht in de Volkskrant van gisteren, waarin CDA-partijvoorzitter Helgers nogal wat protestantse leden van zijn Tweede-Kamerfractie bij de eerstkomende verkiezingen wilde inruilen voor katholieke.

Een extra bewijs voor de stelling dat het CDA behoorlijk de kluts kwijt is, zo leek het, want Helgers stond wel erg haaks op Küng. Maar dat bleek schijn. Wie in de Volkskrant na leest wat Helgers precies gezegd heeft, kan niet anders concluderen dan dat de krant behoorlijk met zijn woorden aan de haal gegaan is. Helgers zal hoogstens nog wat ervaring moeten op doen in wat journalisten van woorden kunnen maken door ze in een andere context te zetten.

Het eerste wat in Küngs toespraak treft is, dat zij geen spoor van aarzeling of twijfel bevat over de vraag of kerk of christelijke organisatie nog wel een boodschap hebben in deze tijd. Dat spreekt me geweldig aan, omdat ik al dat getob over die vraag langzamerhand zo zat ben. Twijfel aan de eigen overtuiging is ieders goed recht, maar aarzel dan niet uit een organisatie te stappen, die haar bestaansrecht juist aan een duidelijke identiteit ontleent. Omgekeerd moet een organisatie niet toelaten dat mensen die, waar het de existentiële vragen betreft met zichzelf in de knoop zitten (nogmaals, dat kan iedereen overkomen; geen kwaad woord daarover) zich met hun persoonlijke problematiek als zuignappen aan de organisatie blijven vastklampen met als gevolg dat de hele zaak dreigt te kapseizen. Als ik het goed zie, is dat op het ogenblik bij het CDA aan de hand.

Küngs verhaal komt in hoofdlijnen op het volgende neer. Enerzijds wordt Europa 'op zijn Brussels' gezien als een gigantische markt, waarin economie en politiek functionalistisch de lakens uitdelen. Dat is het materialistische Europa. Anderzijds is er het spirituele Europa dat de paus als ideaal voor ogen staat. Küng is niet positief over de paus (net zo min trouwens als over Brussel). In het pauselijk model is Europa immers geheel ge-re-romaniseerd en worden anders-denkenden, of het nu protestanten, orthodoxen, joden of agnosten zijn, op zijn best geduld.

Anders dan de paus ziet Küng in secularisering, pluralisme en individualisering niet alleen maar nadelen, maar ook positieve kanten. De mens is nu zelf verantwoordelijk geworden en voor die verantwoordelijke mens zoekt Küng naar een derde weg. Tussen het Europa van Brussel (geseculariseerd en technocratisch) en dat van het Vaticaan (voor-modern en sacralistisch) in.

Hij vindt weg in een ethos, dat ieder mens, gelovig en niet-gelovig, zou moeten aanvaarden als handelingsbasis. Een dergelijk ethos, dat gelovigen in God verankeren en niet-gelovigen uit humane gronden aanvaarden, moet het noodzakelijke minimum bevatten aan gemeenschappelijke menselijke waarden, maatstaven en grondhoudingen. Concreet noemt Küng twee regels: 1. ieder mens moet menselijk behandeld worden en 2. wat gij niet wilt dat u geschiedt, zo doe dat ook een ander niet.

Voor godsdienstige mensen, aldus Küng, of dat nu joden, christenen of moslims zijn, berust de onvoorwaardelijkheid en universele geldigheid van deze twee ethische voorschriften op God, als de absolute grond van het bestaan. Maar God is niet alleen de grond en garantie, maar tegelijk de begrenzing van de menselijke autonomie.

Wat me in Küngs verhaal zo aanspreekt, behalve de boven al genoemde beslistheid waarmee hij zijn stellingen over God als de dragende grond van het bestaan poneert, is dat hij op deze manier de samenleving van een ethische basis voorziet. Hij slaat daarmee twee vliegen in één klap. Enerzijds laat hij zien dat de samenleving een spirituele basis heeft en dus iets anders is dan een toevallige verbinding tussen een aantal losse atomen die als enige binding met elkaar hebben dat ze elkaar tegen komen op de markt. Anderzijds ziet hij die basis als ethisch, waardoor ze een praktische functie heeft. En tenslotte, voor de gelovigen, baseert hij die basis op God als de grond van het bestaan.

Met zo'n uitgangspunt moet het CDA, juist in de oppositie tegen paars, toch wat kunnen beginnen?

mailIcon print |