AMERSFOORT - Jan Willem van der Hoeven, woordvoerder van de Internationale christelijke ambassade Jeruzalem (ICAJ), houdt wel van Israel maar niet van journalisten. Want die hebben altijd iets aan te merken op het land en zijn joodse bewoners. Hoe durven ze! Tegen Gods oogappel, tegen een volk dat zo geleden heeft. Maar ze krijgen hun vet nog wel als de Heer binnenkort op de wolken terugkeert naar Jeruzalem.
Jan Willem van der Hoeven is op tournee door Nederland. In de afgelopen week sprak hij op vier solidariteitsavonden over 'de speciale band tussen Holland en Israël', de onrechtvaardige behandeling van het land door de internationale gemeenschap en de volgens de ICAJ door God van christenen geëiste liefde voor Zijn volk.
De ICAJ vestigde zich in Jeruzalem in 1980. Als reactie op het uitroepen van deze stad als ongedeelde hoofdstad van Israël hadden dertien landen, waaronder Nederland, in dat jaar hun ambassade verplaatst. “Andere naties gleden over de olie naar Tel Aviv,” verwoordde Van der Hoeven deze stap woensdagavond in de St-Joriskerk in Amersfoort. “Toen Holland te laf was, waren wij er wel.” De ICAJ wil aan de toehoorders van de solidariteitsavonden 'waar begrip' presenteren van de gebeurtenissen in Israël om deze te kunnen interpreteren “in het licht van Gods woord”. Ook stelt de organisatie zich ten doel christelijke leiders, kerken en organisaties te stimuleren “invloed uit te oefenen ten gunste van het joodse volk”.
Land genoeg
Van der Hoeven jankt, fluistert, schreeuwt, snikt soms bijna; zijn manier van spreken moet de luisteraars vermurwen medelijden te voelen met het arme Israël en zich gezwind tegen 'de' Arabieren te keren. “Wij laten ons wijsmaken dat de Arabieren niet genoeg land hebben,” zegt hij. Onzin natuurlijk, want “de joden moeten maar land opgeven aan de Arabieren, terwijl die 614 keer zoveel land hebben.” Veel joden zijn trouwens ook niet goed wijs. Die zijn “voor de linkse regering gezwicht om de helft van het land weg te geven aan mensen die zich niet aan de Oslo-akkoorden houden.” Hij windt zich ook nogal op over de massale en langdurige aandacht voor de aanslag in Oklahoma City (“Dit keer waren het toevallig niet de mohammedanen”), terwijl de media aan aanslagen in Israël volgens hem geen aandacht besteden. “Wij zijn genuanceerd geworden door ons comfortabele christelijke leventje,” merkt hij zuchtend op. En met nuances, dat is duidelijk, heeft Van der Hoeven weinig op.
Opvallend was de aanwezigheid van de Utrechtse commissaris van de koningin, jhr. P. Beelaerts van Blokland (CDA), die de bijeenkomst opende en vlak tevoren voor het laatst in de Staten het ambtsgebed had gezegd. Beelaerts noemde Israël een roepende in de woestijn en de landen eromheen een voortdurende bedreiging. “Ze zouden de joden graag de zee in drijven.”
Het publiek reageert ingetogen op de sprekers, de zangers en zelfs dansers op deze avond. Als de voorzanger aanmoedigt: say hallelujah, reageert bijna niemand. Liederen waarbij moet worden geklapt of meegewiegd brengen maar weinig mensen in beweging. “Als u in Israël was, zou u nu de hele kerk door dansen,” merkt de voorzanger op. Helemaal achterin de kerk, waar niemand haar kan zien, geeft één meisje aan de oproep gehoor.
Misschien is dit gebrek aan uiterlijke bijval de reden dat aan het eind van de bijeenkomst, als de collecte eraan komt, nog even expliciet aan God wordt gevraagd: “Wilt u ons offerbereid maken?” “U mag ook cheques uitschrijven,” voegt de spreekster eraan toe.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.