De auteur is algemeen secretaris van Solidaridad.
De invoer van bananen uit Midden- en Latijns-Amerika is beperkt. Jaarlijks mogen 2 miljoen ton van deze zgn. dollarbananen ingevoerd worden tegen een lage invoerheffing van 20 procent. Boven dit contingent gaan de invoerrechten naar 170 procent, waardoor de invoer van deze bananen vanwege de prijs die ze in de winkel moeten opbrengen, onrendabel wordt.
Bananen uit de zogenaamde ACP-landen krijgen een voorkeursbehandeling. Zij zijn vrijgesteld van invoerrechten en hebben onbeperkt toegang tot de Europese markt. De hogere kostprijs van de bananen uit deze voormalige Europese kolonien wordt door deze maatregel grotendeels gecompenseerd. Hierdoor is voorkomen dat de ene Europese markt de genadeslag aan de ACPbanaan zou hebben uitgedeeld. Zonder voorkeursregeling zouden de producenten uit Afrika en de Cariben het afgelegd hebben tegen het goedkopere massaprodukt uit de Latijnsamerikaanse regio.
Sindsdien is er veel gebeurd. De consument betaalt aanzienlijk meer voor een kilo bananen. In een paar maanden tijd is de prijs voor bananen met gemiddeld 30 procent gestegen. Deze prijsstijging is gedeeltelijk te verklaren door de relatieve schaarste aan bananen op de Europese markt. Er worden 20 procent minder bananen uit Latijns-Amerika ingevoerd als gevolg van de Europese regeling. Het gat in de markt kan niet volledig opgevuld worden door bananen uit de ACP-landen in verband met ontoereikende produktie aldaar.
Een ander prijsopdrukkend effect hangt samen met een nieuwe markt die door de quota-regeling zelf ontstaan is: de levendige handel in licentierechten voor invoer van bananen. Importeurs die na de toedeling van de invoerlicentierechten toch nog over onvoldoende licenties beschikken, kopen rechten bij collega's en betalen daarvoor een hoge prijs.
Aan producentenkant is ook het nodige veranderd.
In de dollarbananenlanden zijn harde klappen gevallen. De multinationale ondernemingen die de produktie van deze bananen controleren, hebben hun produktie drastisch teruggebracht. Dit is gepaard gegaan met massa-ontslagen op de plantages, het sluiten van onrendabele plantages en een verdere verslechtering van de arbeidsvoorwaarden voor de resterende werknemers. Dit heeft veel verzet opgeroepen van vakbonden, volksorganisaties en overheden. De ondernemingen wordt verweten de situatie te misbruiken door nu een harde sanering door te voeren.
De ACP-producent profiteert vooralsnog van de hem geboden marktbescherming. Alles wijst er echter op dat dit beeld snel zal veranderen.
De multinationale ondernemingen zitten als goede ondernemers niet stil. IJlings hebben ze produktie verplaatst naar ACP-landen om de Europese regelgeving te kunnen omzeilen. Bedrijven als Chiquita en Dole hebben inmiddels plantages geopend in Kameroen en Ivoorkust. Het zal niet lang meer duren of de ACP-boeren worden vanaf eigen erf beconcurreerd door dezelfde bedrijven waartegen ze op de internationale markt zo succesvol beschermd worden.
Daarmee krijgt Afrika Latijnsamerikaanse toestanden: een plantageeconomie, beheerst door buitenlandse bananengiganten, met de uit de Latijnsamerikaanse situatie bekende ecologische en sociale gevolgen.
De Latijnsamerikaanse plantages bieden een surrealistische aanblik. De bananen hangen in plastic zakken, gedrenkt in chemicalien, in de bomen. Tegen ziekten en insekten wordt er per hectare gemiddeld 40 kilo bestrijdingsmiddelen gebruikt. Dit heeft de banaan de bijnaam 'fruta quimica' (chemisch fruit) bezorgd.
Deze teelwijze heeft in grote delen van Latijns-Amerika geleid tot een milieuramp. Er is bodemvervuiling en vervuiling van oppervlaktewater, waardoor rivieren veranderd zijn in stromen van gif. Door ondeskundig gebruik en door inzet van middelen die elders in de wereld verboden zijn, krijgen bananenplukkers huidirritaties, vergiftigingsverschijnselen en irritatie aan de ogen. Door het middel DBCP, in de jaren '70 op grote schaal gebruikt, worden arbeiders, nu jaren later, geconfronteerd met onvruchtbaarheid en in een later stadium impotentie.
De arbeidsomstandigheden op de plantages zijn erbarmelijk. Zware arbeid en lange werktijden leveren een schamele beloning op. Rechtszekerheid ontbreekt volledig. Een CAO of een vast arbeidscontract is de bananenplukker maar zelden gegund.
Voor Afrika en de Cariben met hun overwegend kleinschalige boerenproduktie is dit bepaald geen aanlokkelijk perspectief. Zij zijn vanuit ecologisch en sociaal gezichtspunt de verdiende winnaars van het bananengeschil. Op het grijze grensvlak van 'slecht' en 'beter' nemen de ACP-landen een voorsprong ten aanzien van duurzaamheidscriteria. Er is minder milieu-aantasting en de baten vallen aan veel grotere groepen toe.
Tegen deze achtergrond is de verlenging door de Europese Unie van de ACP-regeling zonder meer gerechtvaardigd. Tot 2000 zijn ze daarmee uit de brand. Het zou echter een grote fout zijn als de tussenliggende periode niet benut wordt om een beleid te voeren gericht op een overlevingsstrategie voor ACP-producenten op de wereldmarkt zonder een voorkeursregeling die bescherming biedt op een manier die niet marktconform is.
Op een recent in Costa Rica gehouden congres van vakbonden van bananenarbeiders uit vijf Latijnsamerikaanse landen worden de contouren van een alternatief beleid geschetst. Opvallend is dat de bonden uit de zone van de dollarbananen zich - in solidariteit met de ACPproducenten - positief uitspreken over de bananenregeling van de EU. Men acht het gewenst om aan de sterke produktiegroei op de plantages een halt toe te roepen. In de laatste vijf jaren is de produktie verdubbeld. Het milieu is daardoor verder aangetast en de kwaliteit van de arbeid is erg laag. Regulering van de markt en het terugdringen van de macht van de multinationals is in hun ogen essentieel.
Ondanks hun instemming pleiten de bonden er wel voor de regeling van de EU op drie punten te herzien.
In de eerste plaats zouden de exportquota niet aan de multinationale ondernemingen en handelshuizen toegewezen moeten worden, maar aan de nationale staten. Per land kan het quotum dan verdeeld worden over de verschillende categorieen producenten. Hierdoor krijgen ook kleine en middelgrote ondernemers een mogelijkheid tot export.
Ten tweede zou export van bananen alleen mogen plaatsvinden als de teelt aan een aantal milieu- en sociale voorwaarden voldoet. Daarvoor is een charter opgesteld met randvoorwaarden ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en milieucondities.
Ten slotte zouden om de omschakeling naar duurzame teeltechnieken mogelijk te maken, de baten uit de invoerheffingen door de Europese Unie teruggesluisd moeten worden naar de producentenlanden. Met deze tientallen miljoenen guldens van de Europese Unie kan de herstructurering van de sector gefinancierd worden. De Europese Unie heeft hiermee al een bescheiden begin gemaakt.
Een dergelijk beleid biedt perspectief. Het onderscheid tussen dollarzone en ACP-gebied verliest dan zijn betekenis. Ongeacht het gebied van herkomst moeten de bananen aan een aantal duurzaamheidscriteria gaan voldoen. De relatieve voorsprong waarover de ACPproducenten nu beschikken, biedt voor hen een goed startpunt. Bovendien zullen de multinationale ondernemingen in de dollarzone hun prijsvoordeel snel zien slinken. Prijsconcurrentie op kosten van de factor arbeid en milieu is na 'groene' handelsovereenkomsten onmogelijk.
In die nieuwe situatie mag de markt zijn werking weer terug krijgen. Als de duurzaamheidscriteria veilig gesteld zijn, mag efficiency en produktiviteit bepalen waar produktie het best kan plaatsvinden. Uiteindelijk zijn boeren en plantage-arbeiders daarmee beiden gebaat. Bovendien kan de aantasting van het milieu op deze manier een halt toegeroepen worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.