De predikant heeft het moeilijk. Met Sow, zo vreest de Bond van predikanten, ontstaat een professionele en dus peperdure nieuwe orde. Kind van de rekening: de predikant. Een schrale troost biedt het proefschrift van David Bos: ook de negentiende eeuw bracht dominee veel ellende. Even mocht hij tot de deftige kringen behoren, maar voor het eind van de eeuw wezen de kerkenraden hem weer zijn plaats.
Steeds vaker kunnen kerkelijke gemeenten niet meer aan hun financiële verplichtingen voldoen. En niet zelden worden die geldzorgen afgewenteld op de dominee. Die krijgt dan min of meer openlijk het verzoek korter te gaan werken of uit te zien naar een betrekking elders.
,,Maar de predikant is niet verantwoordelijk voor het oplossen van financiële problemen'', zegt ds N. H. Kuipéri, secretaris van de Bond van de Nederlandse predikanten. ,,Gemeenten moet duidelijk worden gemaakt dat ze aangegane verplichtingen ook moeten nakomen.''
Als belangenbehartiger van bijna vierduizend predikanten van verschillende denominaties kent de Bond de pijnlijke gevolgen van de leegloop van de kerken. Een groeiend aantal gemeenten kan eigenlijk geen dominee meer betalen en daarnaast wordt het voor predikanten steeds lastiger een andere standplaats te vinden. Op het oog neemt het aantal predikanten niet hard af, maar de opmars van de parttimers versluiert de werkelijkheid.
Kuipéri wijt het soms nogal plotseling opspelen van financiële problemen onder meer aan de teruglopende kwaliteit van de kerkenraadsleden en andere vrijwilligers die een gemeente draaiend moeten houden. En dat komt weer doordat het steeds moeilijker is om ambtsdragers te vinden. Kuipéri: ,,Wij hebben wel meegemaakt dat een dominee pas twee jaar in een plaats stond, toen het geld op bleek te zijn. Het is soms alsof ze denken: 'We zullen wel zien waar het schip strandt'.''
Vandaag heeft de Bond in de Utrechtse Domkerk zijn jaarlijkse predikantendag. Dat is altijd een tamelijk ontspannen gebeurtenis (Ser-voorzitter Wijffels spreekt er ditmaal), maar dat kan de steeds minder fleurige positie van de predikant niet verhullen.
Al jaren constateert de Bond met zorg dat de positie van de dominee steeds kwetsbaarder wordt. Van het voetstuk waarop hij stond is weinig over. Op grond van zijn ambt had de herder gezag over zijn kudde, maar dit ambtsdenken is zo goed als verdwenen. Terecht, vindt Kuipéri, ,,maar het is doorgeslagen naar de andere kant. Nu wordt hij behandeld als de trainer van een voetbalclub. Boekt hij geen resultaat, dan vliegt hij eruit. Een trainer kun je op de goals afrekenen, bij een dominee gaat dat niet. Van een dominee wordt bij de toegenomen pluriformiteit van de kerk verwacht dat hij alle geledingen aanspreekt. Doet hij dat niet en heeft hij zich bijvoorbeeld te veel met één stroming vereenzelvigd, dan ligt hij er uit.''
Het overgrote deel van de 2476 dienstdoende leden van de Predikantenbond (de overigen zijn emeriti en anderen) is actief in één van de Samen-op-weg-kerken. Dat het samengaan van hervormden, gereformeerden en lutheranen verbetering zal brengen in de positie van de predikant gelooft Kuipéri niet een-twee-drie.
Al wordt het toezicht op de plaatselijke financiën gecentraliseerd - gereformeerde kerken zijn nu nog autonoom - toch ziet Kuipéri eerder méér problemen opdoemen: ,,Wat je nu al ziet, is dat mensen liever geld geven voor het plaatselijke kerkenwerk. De neiging om de kerk eerder te beschouwen als een los verband van plaatselijke zelfstandigen dan als een krachtige centrale eenheid, neemt alleen maar toe. Desondanks bouwen de Sow-kerken tegelijkertijd aan een zware centralistische structuur. Want het blok dat er komt is veel sterker dan de Nederlandse hervormde kerk ooit geweest is. De Sow-kerk gaat, zoals de zaken er nu voorstaan, sterk lijken op een Duitse Landeskirche. Maar daar komen ze er juist van terug, omdat zo'n apparaat zoveel geld kost. In de tijd van de 'Kirchensteuer' die elke Duitser moest betalen, kon dat, nu is het niet meer op te brengen. Straks zullen er ook hier geen middelen voor zijn.''
Kuipéri ziet niet alleen financiële problemen voor de toekomstige kerk. De zware structuur zal ook de lijnen tussen basis en top alleen maar verlengen. Als voorbeeld noemt hij de manier waarop in de nieuwe bedeling over de rechtspositie van de predikant zal worden onderhandeld.
De hervormde kerk kent daarvoor nu het 'georganiseerd overleg' tussen de bond, de Generale financiële raad, de gemeenten en de synode, dat zijn afspraken voorlegt aan de Raad voor de predikantstractementen en -pensioenen. In de toekomst wordt die raad een commissie van het Facilitair Bedrijf van de kerk. Kuipéri: ,,Het hoofdkantoor dreigt een departement te worden. Aan de Bijlmerenquête zie je waartoe dat kan leiden.''
Als het erop aankomt is de kerk een organisatie van vrijwilligers, zegt Kuipéri. ,,Met een minimum aan middelen en een maximale inzet. Men moet niet doen alsof de kerk een bedrijf is, opgebouwd als een 'professionele organisatie'. Dat kost geld, verschrikkelijk veel zelfs. En ondertussen gaat men verplichtingen aan tegenover de mensen die in dienst treden. Of het geld om hen te betalen er ook zal zijn, is zeer de vraag. Uiteindelijk klopt het hart van de kerk immers allereerst plaatselijk.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.