*

 
dossier

Archief

HET WORDT TIJD DAT HET VOLK DE MACHT KRIJGT

JAAP DE BERG − 04/01/97, 00:00

Het gemiddelde van 4+, door 66 Kamerleden behaald voor een geschiedenisproefwerk, wekt niet de indruk dat de doorsnee-parlementariër zijn kiezers in algemene ontwikkeling ver vooruit is. In andere opzichten wel?

The Economist, zich tot Engeland beperkend, dacht van niet. Het blad houdt het erop dat de gewone man niet veel dommer, luier en oneerlijker is dan zijn politieke vertegenwoordigers. Het is een van de redenen waarom het een pleidooi van veertien pagina's voert voor meer rechtstreekse democratie. Niet dat het parlement zou moeten verdwijnen. Wel zouden de burgers zelf, per referendum, het laatste woord moeten krijgen over allerlei kwesties van algemeen belang. The Economist ziet dit in de volgende eeuw ook gebeuren.

Roel van Duin en Jaap Hijmans, gepensioneerd hoogleraar natuurkunde, helpen het hopen. Source, een chic ogend tweemaandelijks magazine 'voor verantwoord ondernemen', heeft hun en negen anderen gevraagd naar hun visie op het komende decennium. Hijmans maakt van de gelegenheid gebruik om het waandenkbeeld te hekelen dat mensen die vier jaar met de armen over elkaar zitten te wachten tot ze een hokje rood mogen maken, deel hebben aan actieve democratie. Van Duin kijkt kennelijk wat verder vooruit dan één decennium en ziet een kabinet van Groenen aantreden dat zichzelf goeddeels overbodig maakt door referenda in te voeren.

Dit moet ook Johan van Workum aanspreken. In Roodkoper, het maandblad van De Rode Hoed, vaart hij uit tegen Big Brother in Den Haag, die maar zit te snoeien in de collectieve voorzieningen terwijl de meeste burgers ze op peil wensen te houden. (Maar willen ze daar ook de bijbehorende belastingen en premies voor betalen? Van Workum vermoedt, op grond van opmerkelijke Britse peilingen, van wel.)

Voor zijn voorspelling dat in West-Europa full democracy (vrij vertaald: regeren-per-referendum) de toekomst heeft, voert The Economist twee hoofdargumenten aan. Het eerste berust op de gedachte dat de maatschappelijke omstandigheden waaronder de parlementaire democratie ontstond, radicaal zijn veranderd. Destijds, in de vorige eeuw, ontbrak het de meesten aan scholing, tijd en geld om zich op de hoogte te stellen van regeringszaken. Hun nazaten zijn allang beter toegerust.

Dat full democracy niettemin nog geen kans heeft gekregen, wijt The Economist aan de Koude Oorlog. “Omdat de strijd tegen het communisme zoveel zelfdiscipline van hen vergde, hadden de democratieën weinig zin om over een verbouwing van hun politieke stelsel na te denken.”

Het tweede hoofdargument heeft te maken met de veranderde politieke agenda. Vrij vertaald: vroeger kon je bij de stembus kiezen tussen uiteenlopende ideologieën, elk met eigen praktische consequenties. Die tijd hebben we gehad. Nu zijn het vooral betrekkelijk kleine meningsverschillen over de collectieve uitgaven en andere sociale en economische aangelegenheden die de agenda bepalen. Zulke dingen lenen zich niet voor een vier- of vijfjaarlijkse gang naar het stemlokaal.

Politici die het verouderde stelsel verdedigen, vergelijkt The Economist met lieden die het winkelend publiek maar eens in de zoveel jaar een halfuurtje in de supermarkt gunnen. Gelukkig taant de macht van de “vakbonden waarin politici zich hebben georganiseerd”, zoals het blad de politieke partijen omschrijft.

Met wat in hun kring aan bedenkingen tegen full democracy leeft, maakt The Economist korte metten. Het systeem zou alleen geschikt zijn voor Zwitserland? Onzin, wat mogelijk is in een land met zes miljoen mensen, verdeeld door vier talen, moet ook elders kunnen. Het ontbreekt de gewone man aan verantwoordelijkheidsbesef? Geen betere remedie dan hem meer verantwoordelijkheid te geven. Full democracy zou inefficiënt zijn, en in strijd met het principe van de arbeidsverdeling? Wie dat denkt, verwart politieke wetten met economische. Iedereen laten meebeslissen zou op hetzelfde neerkomen als met een ziek lijf niet naar de dokter gaan, maar je buurvrouw raadplegen? Wie zo redeneert, moet nog maar eens goed nadenken over het verschil tussen wetenschap en politiek.

Enzovoort. Eigenlijk is er maar één tegenargument dat het blad au sérieux neemt. Dit: misdeelde minderheden kunnen bij referenda gemakkelijker het kind van de rekening worden dan via parlementaire besluitvorming. Wat The Economist in dit opzicht niettemin optimistisch stemt, is het - uitvoerig beschreven - voorbeeld van Zwitserland. Daar is men verstandig genoeg om dit soort netelige en gecompliceerde kwesties over te laten aan het parlement.

IMITATIO-CHRISTI-ENQUé

PAUS EINDIGT ALS VIJFDE

Het is opmerkelijk hoeveel bladen, ook buitenlandse, die er niet van verdacht kunnen worden in een christelijke traditie te staan, in de voorbije weken van die traditie de journalistieke vruchten hebben geplukt.

The Economist gaf Karen Armstrong de ruimte om uit te leggen dat God geen mannelijk superwezen is, en in vogelvlucht de geschiedenis van mannelijke en vrouwelijke godsbeelden door te nemen. Het publiek van Le Nouvel Observateur trof op de omslag een langharige dertiger met een puntbaard en een vredige doch kritische oogopslag aan, over wiens trui en colbert de kop 'Als Jezus terugkwam. . .' was afgedrukt. Blijkens de inhoud had de redactie zich vooral afgevraagd wat de doorsnee-Fransman dacht dat Jezus, eenmaal teruggekeerd, zou doen. Opiniepeilers hadden dit uitgezocht. Bovenaan de lijst met voor hem bedachte beroepskeuzen stond 'arts van een humanitaire organisatie', gevolgd door 'filosoof' en 'arbeider'. En wie heeft tegenwoordig het meest van Jezus weg? Klassement: 1. Moeder Teresa, 2. Abbé Pierre. De paus eindigde als vijfde, na wijlen Coluche, komiek en organisator van maaltijden voor arme drommels.

Ook L'üvénement du jeudi had Jezus op de cover laten uittekenen, ditmaal omringd door journalisten met microfoons en cassetterecorders. Binnenin werden de lezers bijgepraat over opinies en ontdekkingen van bijbelwetenschappers waar 'de katholieke kerk' (lees: haar hogere ambtelijke echelons) nog niet van gediend is. Ook de redactie zelf bleek helaas nog elementaire voorlichting te behoeven. De kwestie van Maria's maagdelijkheid vóór Jezus' geboorte belichtend, althans aanroerend, liet ze weten dat de evangelisten elkaar op dit punt enigermate tegenspreken. Kennelijk rekende ze ook Paulus tot dit selecte gezelschap, want ten bewijze citeerde ze vervolgens de brief aan de Galaten.

mailIcon print |