De koopkracht van de meeste Nederlanders is in 1998 weer gestegen. Het gemiddelde huishouden ging er vorig jaar 2,7 procent in koopkracht op vooruit, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CSB). Dit is een veel hoger percentage dan vorige jaren.
Het gemiddelde zegt weinig over individuen. Meer dan een derde van de huishoudens is er meer dan 5 procent op vooruitgegaan, terwijl een bijna even groot deel er in koopkracht niet op vooruitging.
De drie jaren voor 1998 zag de bevolking de koopkracht ieder jaar tussen de 1 tot 1,5 procent stijgen. De koopkracht is vorig jaar onder meer gegroeid door de belastingmaatregelen voor gepensioneerden. Daardoor had deze groep 2,8 procent meer te besteden dan in 1997. Gepensioneerden hadden vorig jaar een besteedbaar inkomen van gemiddeld 39 800 gulden.
Werknemers profiteerden het meest van de koopkrachtstijging. Zij zagen hun besteedbaar inkomen met 3,1 procent omhoog gaan. Bij de berekening zijn ook mensen meegeteld die in 1997 wel een baan hadden, maar in het daarop volgende jaar bijvoorbeeld een uitkering of een pensioen. Dit heeft een dempend effect op het besteedbaar inkomen.
Voor de groep die zowel in 1997 als in 1998 werk had, ziet het plaatje er dus nog gunstiger uit. Zij ontvingen 3,6 procent meer. Het gemiddelde inkomen van huishoudens met loon als belangrijkste inkomstenbron was vorig jaar 56 600 gulden.
De kloof tussen arm en rijk wordt niet groter. Vijftig procent van de armste huishoudens verdienen 27,7 procent van het inkomen. Dit percentage is al jaren vrijwel gelijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.