*

 
dossier

Archief

Verloren was en gevonden vormen

Liesbeth den Besten − 20/03/99, 00:00

In 1997 woonde en werkte de Zwitserse sieraadontwerpster Johanna Dahm twee maanden lang in het huishouden en de werkplaats van Nana, een Chief en goudsmid van de Koning van de Ashanti in Ghana, West-Afrika. Zij wilde de eeuwenoude verloren-was-giettechniek van het Ashanti volk leren. Lang geleden, als student, had ze de techniek geleerd van haar leraar Max Frohlich. Nu wilde ze zelf naar Afrika.

Ze was altijd al gefascineerd geweest door de wijze waarop de Ashanti deze archaïsche techniek beheersen. Binnen in een mantel van klei en koeiemest bevindt zich de mal van was, wanneer deze verhit wordt smelt de was en vult de mal zich, via de gietkanalen, met vloeibaar goud. De Ashanti kunnen met deze techniek uiterst dunwandige, holle gouden sieraden maken en ook Johanna Dahm wilde die graad van perfectie graag bereiken. In Ghana bleek het verzoek aan Ashanti goudsmeden om haar als leerling in dienst te nemen echter zeer ongebuikelijk te zijn. Het is voor Ashanti vrouwen namelijk verboden om gietwerk te doen en zelfs om de materialen en ovens maar aan te raken. Dat goudsmid Nana haar desondanks in dienst nam, kwam waarschijnlijk doordat het, wegens ziekte van de koning, nogal een slappe tijd was in zijn werkplaats, en omdat zij een blanke vrouw was. Maar wanneer Johanna gedurende haar verblijf bij Nana de oven van de koning te dicht naderde, werd zij direct berispt: ,,Johanna, move.'' Sister Johanna, zoals ze haar al snel noemden, werd grootmoedig opgenomen in de gemeenschap maar diende zich wel aan bepaalde regels te houden.

Nana was gespecialiseerd in grote ringen met dierfiguren en Johanna besloot ook ringen te gaan maken maar in haar eigen vormentaal. Techniek en vorm blijken in Afrika echter zeer afhankelijk van elkaar te zijn en zo bleken Johanna's westerse vormen, die aan het eind van haar verblijf in de oven verhit werden, niet geschikt voor de techniek. Stuk voor stuk kwamen de vijftien ringen mislukt uit hun mantel van gebakken klei.

Eenmaal thuis pakte ze haar project met nieuwe energie op. De vormen die ze in Afrika verloor, vond ze weer terug in Zwitserland. De meer dan veertig ringen die zij maakte zijn groot, rond en vol als de overrijpe vruchten van een ander continent. Het grootste deel van deze collectie werd echter vervaardigd in een tandtechnisch laboratorium in Zürich, hoe Afrikaans ze er ook uit mogen zien. Dat mag voor menigeen misschien teleurstellend zijn, omdat deze sieraden nu de exotische romantiek van primitieve volkeren, technieken en materialen blijken te ontberen, toch doet het niets af aan hun kwaliteit en kracht. Het bewijst voor mij eens te meer dat techniek, herkomst en achtergrond er niet toe doen als we een kunst- of siervoorwerp waarderen.

Johanna Dahm gebruikt goud met de vanzelfsprekendheid van de Afrikanen en zij is geïnspireerd door haar Afrikaanse ervaringen, door de vormen, kleuren en geuren van het continent. Dat maakt haar ringen tot unieke voorwerpen die op het kruispunt van twee culturen zijn ontstaan. De ringen zijn uit één stuk, dat wil zeggen dat het ornament er niet later op gemonteerd is, zoals meestal het geval is, maar een geheel vormt met de scheen waar men de vinger doorsteekt. Ze zijn uitnodigend door de organische vormen, de plooien, vouwen en openingen, je wilt ze aanraken en voelen. En als je ze om de vinger schuift doen ze denken aan de zakken meel of rijst die Afrikaanse vrouwen op hun hoofd naar de markt dragen. Je ziet de plasticiteit van het wasmodel en het vloeiende karakter dat goud ook heeft. In het werk van Johanna Dahm, die zich altijd beperkte tot strakke vormen, uiterst precieze bewerkingen en een conceptuele benadering, én in de context van de westerse edelsmeedkunst betekenen deze ringen een bevrijding van alle intellectuele rimram.

mailIcon print |