In de trein heb ik er een hekel aan om met mijn rug tegen de rijrichting in te zitten. Waarschijnlijk omdat ik liever het gevoel heb dat ik vooruit ga. Dit keer moest ik door de drukte gevoelsmatig achteruit. Het is donker en ik zie niks door het raam, behalve mensen die ook naar het raam staren. Een gezin op de terugweg van het halfjaarlijkse dagje uit doet dat niet, omdat je mensen die je kent nu eenmaal direct kunt aanstaren.
De oudste van de twee kinderen, een bijdehand jongetje, protesteert ergens tegen, maar waartegen versta ik niet. Zonder van de beurspagina op te kijken, zegt de vader zakelijk: “Ikkanniet ligt op het kerkhof en Ikwilniet ligt er naast.” “Ja, Jemoet heeft ze begraven”, vult de moeder aan om de stemming er in te houden. “En Jemag?”
Na een paar kilometer: “Jemag is een koppel dat bestaat uit Ikwilwel en Ikkanook. Ze waren op de begrafenis.”
Meteen lanceert het jongetje zijn volgende vraag. “En Jemoetniet?”
“Ah, dat is de bijnaam van Jemag.”
“Maar hoe zit het dan met Jemagniet?”
“Ja, dat is leuk. Dat krijg je als Ikwilwel vreemd gaat met Ikkanniet.”
“Maar die ligt op het kerkhof!”
Hierop volgde de door mij al veel eerder verwachte brom vanachter de krant. “Je doet gewoon wat je moeder zegt omdat ik dat zeg.” Hoewel: dat laatste zal wel in mijn herinnering zijn geslopen. Ik kon het lachen niet laten want het was wel duidelijk wie er vooruit ging.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.