Lezen joden en christenen dezelfde bijbel? 5 februari, 20.00 u., Rode Hoed, Keizersgracht 100, A'dam, reservering: 020-6385606. De kritiek van Lilienthal op Ter Linden stond op de Podiumpagina van Trouw van 19 december 1996.
Eerder ventileerde de rabbijn in Trouw zijn ergernis over Ter Lindens veelgeprezen bestseller, wekenlang nummer één op de boekentoptien met een oplage van tienduizenden. Hij verweet de dominee te doen wat christenen zo vaak in de geschiedenis deden: de joodse bijbel (Tenach) van zijn joodse karakter ontdoen en als aanloopje lezen naar het verhaal van Jezus. Ter Linden reageerde kort, eveneens in Trouw en dat is, zegt hij telefonisch, voldoende. “Ik heb alles gezegd wat ik te zeggen had.” Aan een publiek debat (“ik heb een hekel aan die manier van discussiëren”) heeft hij “geen enkele behoefte”. Wel stuurde hij Lilienthal een briefje dat hij bereid is onder vier ogen met hem van gedachten te wisselen.
Lilienthal is daar in principe best toe bereid, maar wil eerst de uitkomst van het debat afwachten om te zien of zo'n privégesprek nog zin heeft. Het debat wordt nu, onder leiding van voorzitter ds. Dick Pruiksma van het Overlegorgaan joden en christenen (Ojec), gevoerd tussen Lilienthal, de eveneens door de rabbijn aangevallen hoogleraren Karel Deurloo en Simon Schoon, Pruiksma's voorganger bij het Ojec, en Huub Oosterhuis, directeur van de Rode Hoed.
De rabbijn vindt de houding van ds. Ter Linden typerend. “Hij meent kennelijk dat hij geen verantwoording hoeft af te leggen over zijn werkwijze en over het feit dat onder de mensen die hem bij zijn project begeleiden geen enkele jood zit. Zo'n houding kun je niet maken. Ik betreur het zeer dat hij het publieke debat uit de weg gaat. Ik had het interessant gevonden met hem te discussiëren, waarbij ik het zelfs niet uitsluit dat hij me van mijn ongelijk had weten te overtuigen. Hij heeft die kans niet gegrepen.”
Wat hemzelf betreft vindt Lilienthal het logisch dat hij aan de komende discussie deelneemt. “Als je zo'n knuppel in het hoenderhok gooit kun je daarna niet aan de zijlijn blijven staan kijken hoe anderen hem oppakken.” Wat hij van de discussie verwacht, weet de rabbijn niet goed. “Misschien wel dat de ingedommelde christelijk-joodse dialoog weer wordt wakkergeschud. Dat is hard nodig.”
Vervolg op pagina 10
'Het gaat niet om een kemphanengevecht' VERVOLG VAN PAGINA 1
Simon Schoon kan zich daar wat bij voorstellen. “Veel christenen zijn geneigd te denken dat nu alles koek en ei is, dat de dialoog gauw kan worden afgesloten en zal uitmonden in een soort harmonische eenheidsworst. Men schrikt als daar van joodse zijde heel anders tegenaan wordt gekeken.” Ofschoon hij begrijpt dat Ter Linden “bijzonder geraakt” is door de kritiek van Lilienthal vindt ook Schoon het “erg jammer” dat Nico ter Linden weigert aan de discussie mee te doen. “Ik kan me niet goed voorstellen waarom je in een vrij land zo'n debat uit de weg gaat. Te minder omdat Ter Lindens boek hartstikke goed is en hij daarom weinig te vrezen heeft. Hij had woensdag veel kunnen verhelderen.” Ojec-voorzitter Dick Pruiksma onderstreept dat de discussie van woensdag niet gaat over het boek van Ter Linden. “Dat vormt slechts de aanleiding om een aantal essentiële vragen opnieuw aan te orde te stellen, zoals: hoe gaan we met elkaars teksten om en wat is de tora? Want de dialoog die zich tussen christenen en joden aan het ontwikkelen is, blijkt minder ver gevorderd dan sommigen, met name in de christelijke hoek, dachten. Het was ons absoluut niet te doen om een kemphanengevecht tussen rabbijn en dominee.”
Pruiksma toont zich daarom “zonder meer teleurgesteld” over het feit dat Ter Linden weigert aan het debat deel te nemen. “Al respecteer ik zijn standpunt dat hij een verhalenverteller en geen debater is en daarom de discussie aan de theologen wil overlaten. Dat is zijn goed recht.”
Ook al kan Karel Deurloo zich de onwil van Ter Linden best indenken - “hij voelt zich door rabbijn Lilienthal niet serieus genomen; noemt diens kritiek terecht niet echt fundamenteel” - acht híí een publiek gesprek wel nuttig. Deurloo, hoogleraar Oude Testament aan de Universiteit van Amsterdam, en door Lilienthal van slechte invloed op Ter Linden beticht: “Je moet als man en vrouw van de kerk met elke bereidheid tot een gesprek van joodse zijde blij zijn.
Wij, christenen, hebben zoveel boter op ons hoofd dat het een wonder is dat men van joodse zijde überhaupt nog met ons wil spreken. En wanneer een man als Lilienthal daartoe bereid is, mag je als christen niet verstek laten gaan.''
Terugkomend op Ter Linden houdt Deurloo vol dat Lilienthal de dominee onrecht aandoet. “Terecht wordt door joden aan christenen verweten dat ze het Oude Testament vaak lezen door de bril van het Nieuwe, maar Nico doet dat helemaal niet. Hij verwijst bij zijn behandeling van de Pentateuch alleen aan de rand af en toe naar het Nieuwe Testament. Ik zou niet weten wat daar anti-joods aan is.”
Huub Oosterhuis denkt daar anders over: “Ik meen dat bij Ter Lindens behandeling van de tora Jezus wel degelijk regelmatig om de hoek komt kijken. Alsof het joodse verhaal pas zin en inhoud krijgt als we er hem bij denken. Over mijn kijk op Ter Lindens boek mag je natuurlijk van mening verschillen. Maar wat je, gezien het feit dat de christenen de joodse bijbel hebben ontvreemd, niet mag is, zoals Ter Linden doet, een serieuze discussie uit de weg gaan en het probleem ontkennen. Het feit dat zijn boek een bestseller is, verplicht hem des te meer zorgvuldig te luisteren naar wat er aan joodse zijde aan kritiek wordt gespuid. Ik hoop dat het komende debat dat wel doet, zodat de kwestie verder kan worden uitgediept. Dat lijkt me hard nodig in een tijd waarin onder christenen het besef dat het Oude Testament geen voorwoord bij het Nieuwe is, maar een authentiek joods boek dat recht heeft op zijn eigen joodse uitleg, veel minder aanwezig is dan eind jaren zeventig, begin jaren tachtig.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.