DEN BOSCH - Het begon als een ordinaire verkeersruzie, een irritante pesterij. Deze week viel het vonnis: vier jaar cel voor een 17-jarige jongen, omdat hij een mede-weggebruiker zowat had doodgeschoten. De advocaat trilt nog na: “Vier jaar gevangenisstraf. Dat is voor een zeventienjarige ongeveer een kwart van zijn leven.”
De rechtbank in Den Bosch paste in deze zaak het strafrecht voor volwassenen toe op de minderjarige dader. Sinds 1 september vorig jaar zijn de mogelijkheden daartoe verruimd. Steeds vaker zullen officieren van justitie en rechters bij 16- en 17-jarigen het volwassenen-strafrecht verkiezen boven het jeugdstrafrecht. De geweldsdelicten onder jeugdigen nemen in aantal en in ernst toe, zo blijkt ook uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
De strafzaak in Den Bosch is één voorbeeld uit vele. Op 20 augustus vorig jaar passeerde de 17-jarige een auto met vier inzittenden, onder wie het latere slachtoffer. De jongen had eerst een tijdje achter de auto van de vier gereden en had zich wat agressief gedragen. Uiteindelijk haalde hij de vier in. Kort daarna zag het viertal de auto van de 17-jarige staan bij een telefooncel. Ze stopten, omdat één van hen ook even wilde bellen. Toen de jongen uit de cel kwam en naar zijn wagen liep, zou hij de wachtenden hebben uitgescholden. En toen ging het mis. De vier stapten uit hun auto en liepen naar de 17-jarige, die het raampje van z'n portier opendraaide en een schot loste op de 22-jarige bestuurder van de tweede auto. De kogel ging door de arm van het slachtoffer, drong zijn borstholte binnen, doorboorde de lever en bleef net onder het hart steken. De kogel zit daar nog altijd, omdat operatief verwijderen te gevaarlijk is.
Slachtoffer
De Bossche rechtbank behandelde de zaak in het openbaar en vond mèt de officier dat het misdrijf waarvan de jongen werd beschuldigd (poging tot doodslag) niet volgens het jeugdstrafrecht, maar volgens het strafrecht voor volwassenen moest worden behandeld. De verdachte had anders maximaal twee jaar kunnen krijgen. Bij de straftoemeting speelde het gewelddadige karakter van het misdrijf een bepalende rol én het feit dat de jongen zich na het schot geen moment meer om het slachtoffer had bekommerd.
Eerder al werd in enkele recente geruchtmakende strafzaken op minderjarige daders het volwassen strafrecht toegepast. De 17-jarige dader van de moord op het Amsterdamse tabakswinkelier André Hartman kreeg in juli 1994 voor doodslag (na een niet-openbare terechtzitting, zoals gebruikelijk bij strafzaken tegen minderjarigen) zes jaar en tbs (na een eis van tien jaar en tbs).
Enkele jaren geleden legde de rechter een minderjarige een straf op van 3,5 jaar wegens betrokkenheid bij de zogenoemde 'pompmoorden'. Twee pompbedienden werden begin jaren '90 door een groepje van drie overvallers koelbloedig doodgeschoten om aan geld voor coke en bezoek aan prostituées te komen. Angst voor herkenning bleek het belangrijkste motief van de drie om de pompbedienden neer te knallen.
De recente veranderingen in het jeugdstrafrecht bieden de rechter ruimere mogelijkheden het 'gewone' strafrecht te gebruiken tegen 16- en 17-jarige verdachten. In de oude situatie kon het ook, maar pas als de ernst van de zaak en de persoon van de verdachte daartoe aanleiding gaven. In de nieuwe opzet is de aard van het delict alleen al voldoende. Aanleiding tot de versoepeling was een arrest van het gerechtshof Amsterdam in de zaak tegen een minderjarige die op de kermis in Volendam tijdens een vechtpartij iemand invalide had geschopt.
In het jeugdstrafrecht werden per 1 september ook de maxima van de straffen aanzienlijk opgetrokken. Was het tot die datum niet mogelijk meer dan zes maanden tuchtschool op te leggen, nu kan de hoogste straf oplopen tot twee jaar. Die verruiming zal makkelijk tot serieuze capaciteitsproblemen bij de strafinrichtingen voor jeugdigen kunnen leiden, verwacht prof. J. E. Doek, hoogleraar familie- en jeugdrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. “Als de rechterlijke macht van de verruiming op grotere schaal gebruik gaat maken, heeft justitie een probleem.”
Het ministerie heeft dat zien aankomen, zegt een woordvoerder. Op de justitiebegroting is geld gereserveerd voor 170 extra plaatsen in jeugdinrichtingen, bovenop de 1205 die er in totaal beschikbaar moeten zijn in de periode tot 1998. “Van die 170 zijn er 80 met het oog op de herziening van het jeugdstrafrecht en de rest vanwege de toename van de ernst van de criminaliteit onder jongeren. In de afgelopen acht jaar bijvoorbeeld is het aantal diefstallen met geweld en afpersing onder jeugdigen verdrievoudigd. En die categorie misdrijven beslaat nog geen vier procent van de totale jeugdcriminaliteit, terwijl het wel een tien keer zo groot beslag legt op de capaciteit van de inrichtingen.”
Opvallend is dat bij de herziening van het jeugdstrafrecht de discussie zich toespitste op de bovengrens van 18 jaar. De ondergrens (twaalf jaar) is niet omstreden. In 1991 promoveerde M. W. Bol aan de Vrije Universiteit op een proefschrift waarin ze pleitte voor afschaffing van de benedengrens. Volgens haar blijkt uit psychologisch onderzoek dat er geen vaste leeftijd kan worden aangewezen waarin een jeugdige nog niet in staat is tot verantwoordelijkheidsbesef. Elke leeftijdsgrens is eigenlijk arbitrair, aldus de promovenda.
De Amsterdamse strafrechter mr. B. de Poorter is het met haar niet eens. De Poorter was tot voor kort kinderrechter in het arrondissement Amsterdam. “Ik heb in die periode heel wat twaalf-jarigen gezien. Soms kwamen ze amper boven je bureau uit. Maar je moet ergens een grens stellen. We hebben bevredigende mogelijkheden om ontsporingen op nog jeugdiger leeftijd af te doen via de kinderbescherming.” Prof. Doek is het met haar eens. “Het middel van het strafrecht is wel erg zwaar voor een kind van tien of elf jaar.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.