*

 
dossier

Archief

Het Jeruzalem-syndroom

Samuel de Lange − 04/03/99, 00:00

Israël maakt zich op voor het millennium. Samuel de Lange ging er kijken en wandelde door de hoofdstad van drie wereldgodsdiensten. 'Wij buigen naar het oosten af, en nu begint de geestelijke Geiger-teller pas goed uit te slaan.'

De Jeruzalemse psychiater Yair Bar-El bereidt zich voor op een hoop werk nu het millennium er aan komt. In 1982 stelde Bar-El een geestelijke stoornis vast bij de pelgrims die de Heilige Stad bezochten, die hij het 'Jeruzalem Syndroom' noemde. Sommige patiënten waren bij aankomst overtuigd dat zij bijbelse figuren waren, anderen arriveerden bij aankomst met apocalyptische visioenen.

Zonder de hulp van halvegaren die de wederkomst van de messias in 2000 verwachten heeft Jeruzalem al genoeg te stellen met zijn vaste religieuze have. Heilige stad te zijn van de drie monotheïstische godsdiensten is een bedenkelijk voorrecht. Afgezien van hun onderlinge spanningen zijn jodendom, christendom en islam ook nog eens in vele scholen en richtingen verdeeld, die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Dwars op de religieuze ijver staat vervolgens het wereldse zionisme. (In 1924 werd Jacob Israel de Haan, orthodoxe jood en journalist van het 'Algemeen Handelsblad', door zionisten vermoord.) Vanwege die venijnige betrekkingen vergeleek Con Coughlin, correspondent van de 'Sunday Telegraph', Jeruzalem twee jaar geleden met 'een gouden kom vol schorpioenen' in een gelijknamig boek.

Ondertussen is het voor de toerist prettig slenteren door de oude stad. Bij de Jaffapoort, een van de acht openingen in de gouden vestingmuur die de stad omsluit, hangen Arabische gidsen rond die hun diensten aanbieden. Wij hebben echter onze eigen oud-testamenticus in ons midden. Een kalme maar dwingende stroom voert de bezoekers door de nauwe straatjes naar het christelijke epicentrum: de Heilig Graf kerk.

Binnen heerst...ja, wat heerst binnen? Duisternis, gemurmel en gedrang, ikonen, kaarsen, snauwende popes, verguld hekwerk, krochten en grotten, flitslicht en kindergejammer. Geen enkele kruisiging uit het rijke christelijk beeldverhaal bereidt een gelovige voor op de Jeroen Bosch-achtige onderwereld waar de pelgrim gevraagd wordt het sterven van Jezus te situeren. De eeuwen hebben hier op de schedelplaats het ene na het andere heiligdom doen verrijzen, en de verdeeldheid van de christenen heeft nog eens aan de chaos bijgedragen: katholieken en syrisch-orthodoxen betwisten elkaar iedere vierkante centimeter van het plaveisel, en 's avonds doet een vooraanstaande Arabische familie de deur op slot, weet onze gids.

De verbijsterde toerist komt weer bij kennis tussen de kruidige geuren en felle kleuren van de 'soek' - de nauwe oosterse marktstraat - die hem naar de Damascuspoort leidt. Religieuze pretenties ruimen hier het veld voor een zinnenstrelende uitstalling van het goede der aarde. De menigte is hier even dicht als in de Heilig Graf Kerk, maar zakelijkheid regeert de bewegingen, en een sliert van Arabische melodieën dicteert het tempo.

Die achteloze elegantie is bedrieglijk, want waar de straten elkaar kruisen duiken zwaargewapende militairen op, en wij krijgen te horen dat als het onweert tussen de Israëli's en Palestijnen, hier zeker schoten vallen. Dat belet ons niet koffie te drinken tegenover de Damascuspoort, in een tentje dat behalve een eigen kunststoffen grotje, ook een bordje aan de wand heeft hangen met 'Reject the Israeli occupation!' Nog eens laten we ons meedrijven met de spiedende bezoekers van de markt, terug de stad in, en dan kondigen de staties van de Via Dolorosa - de Kruisweg - aan dat we weer in de religieuze invloedssfeer komen. Wij buigen naar het oosten af, en nu begint de geestelijke Geiger-teller pas goed uit te slaan: voor ons opent zich een groot plein met uitzicht op de klaagmuur, waarachter zich de gouden koepel en de witte minaret van de islamitische monumenten verheffen.

De eerste en de tweede tempel van de joden, de hemelvaart van Mohammed, de stallen van de kruisvaarders - alle godsdiensten hebben op de tempelberg hun sporen nagelaten. Het 'Jeruzalem-syndroom' heeft op deze plek dan ook dodelijke slachtoffers gemaakt. Vandaag is het rustig. Vanachter een hek volg ik de bewegingen van de joden die bij de klaagmuur komen bidden, de mannen links, de vrouwen rechts. Een orthodoxe jood met een breedgerande bonten hoed - ooit onderscheidingsteken van de Poolse adel - komt aanlopen. Halverwege houdt hij halt. Bewegingloos kijkt hij naar een klein figuurtje in een hoek van het plein. Hij draait zich om, en loopt terug naar een van de politiemannen die tegen het hek hangen. Samen lopen zij naar het figuurtje. De Poolse jood wijst, en de politieman neemt het figuurtje bij de arm. Als zij voorbij komen herken ik onder plastic hoedje en mantel een verbouwereerde toeriste die, per ongeluk, in de mannenafdeling geraakt is.

Bij het zien van de rij mensen die op fouillering wachten om het tempelplein op te mogen, vergaat ons de lust, en we kiezen een hoog uitkijkpunt dat neerziet op de klaagmuur, en op de vallei achter de tempelberg. Mijn oog valt op een helling vol gebroken trappen, of een steengroeve, misschien een reusachtige opgraving ?

Maar onze oud-testamenticus vertelt dat daar tegen de Olijfberg de joden begraven liggen die de dag des oordeels van dichtbij willen meemaken. Joël 3:1-3 luidt immers: 'Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en van Jeruzalem, zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zijn mijn land verdeelden en over mijn volk het lot wierpen..' Toen Jordanië nog meester was over Oost-Jeruzalem, tot 1967, is het minder zachtzinnig omgesprongen met de joodse begraafplaats. Niet geheel onbegrijpelijk als je bovenstaande dreigementen leest.

Maar inmiddels is alles weer gereed voor de finale afrekening. Op aandringen van onze geleerde gids dalen we verder af naar 'waar het allemaal begonnen is, de stad van David'. Onder de Mestpoort door, buiten de gouden muren, staren we naar het morsige braakland dat op terrassen boven het dal hangt. De stad van David: muurtjes die ook gisteren opgemetseld hadden kunnen zijn, een roestige bromfiets aan een olijfboom geketend, een weg met giechelende Palestijnse meisjes die op de bus wachten.

Het is onvoorstelbaar dat de bijbelse orakeltaal teruggaat op het rommelige achterbuurtje voor onze ogen. Hier, maar ook elders in de stad, heeft de bezoeker behalve de verbeelding van een archaeoloog, ook de inbeelding van Yair Bar-El's patiënten nodig om zich het eeuwige Jeruzalem voor te stellen.

mailIcon print |