*

 
dossier

Archief

DE POLITIE: WIJ DOEN VAAK OOK HEEL GOED

FRITS VAN EXTER − 07/01/95, 00:00

De nieuwjaarsrede is voor de korpschefs van dit land de gelegenheid om er eens flink tegen aan te gaan. Maar wat moesten zij, aangeslagen door alle ellende van 1994, nu zeggen? Zij besloten eendrachtig niks te zeggen, of tenminste zo min mogelijk. Het viel niet mee, want de politiebazen zijn diep gekwetst dat zij in de rug zijn gestoken op hun 'moeilijke en soms onbegaanbare weg'.

“Het leek iedereen beter om niet hoog van de toren te blazen en elkaar vooral niet voor de voeten te lopen”, zegt een politiefunctionaris in Zuid-Holland. De letters IRT moesten in ieder geval zo min mogelijk vallen, luidde het devies. Het was geen vergaderpunt, verduidelijkt de secretaris van de raad van hoofdcommissarissen, C. Breure. Er was geen sprake van een centrale regie. Iemand stelde het even aan de orde tijdens de rondvraag in december: zou het niet verstandig zijn als we het in onze nieuwjaarsredes... Dat leek de meeste chefs van de 25 nieuwe regiokorpsen van het land heel verstandig. “Gelet ook op de ervaring dat nieuwjaarsredes van de politie altijd meer publiciteit trekken dan die van de brandweer en de GGD”, aldus Breure.

Het is een oud gebruik dat politiebazen na de jaarwisseling, terwijl de rest van Nederland nog wat katerig weer op gang moet zien te komen, voor kopij zorgen. De hoofdcommissaris spreekt zijn mensen toe en richt zich over hun hoofden heen tot de buitenwereld. De media nemen het dankbaar af. Er is altijd wel wat: er moeten meer cellen, geld, mensen of bevoegdheden komen, want de boeven doen nu dit of dat en de politiek laat het zus of zo afweten.

Vooral de korpschefs van de grote steden roeren de trom, niet te beroerd om behalve fietsendieven ook de gehele samenleving te berispen. Drie jaar geleden toonden ze zich gezamenlijk bezorgd om buitenlandse boefjes. Twee jaar geleden voerde Hessing (Rotterdam) het peloton aan met zijn pleidooi voor een lik-op-stuk-beleid (bij gebrek aan cellen, criminelen onmiddellijk beboeten), vorig jaar was het Nordholt (Amsterdam) die in zijn troonrede de gehele politiek onder vuur nam wegens 'gevaarlijke misleiding' van de burgers.

Dit jaar dus even niet. De politie was immers in 1994 zelf in de beklaagdenbank beland. Het had het jaar moeten zijn van de consolidatie na de grootscheepse verbouwing van het apparaat in 25 regiokorpsen, het werd het jaar van de vrije val in de drek. In de nasleep van de opheffing van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht, moesten de ministers van justitie en binnenlandse zaken het veld ruimen, rolden korpschefs vechtend over straat, stelden onderzoekscommissies vast dat het ernstig uit de hand was gelopen, liepen grote strafzaken stuk op ongeoorloofde opsporingsmethoden en trad ook nog een parlementaire enquêtecommissie aan om te bedenken wat de politie nu eigenlijk nog wel mag en wat niet.

Alsof dat nog niet genoeg was, brachten de Rekenkamer en de commissie-Van Dijk scherpe rapporten uit over het beheer van de politiekorpsen, schroefde het nieuwe kabinet zijn belofte voor meer geld en mensen terug, raakten sommige korpsen zozeer in financiële nood dat zij onder curatele geplaatst moesten worden, en was er stampei over loonschalen en functie-indeling. Ondertussen leurde de georganiseerde misdaad met politiedossiers, bandopnames, naaktfoto's en andere buit van hun 'inkijkoperaties'. De overgebleven gezagsgetrouwen riepen moord en brand (en vroegen zich af of ze daarvoor nog wel bij de politie aan het goede adres waren).

Het was een rampjaar. De politie raakte in een diepe crisis. Maar dat wilden de meeste chefs nu juist niet zeggen ten overstaan van de korpsleden. Het was natuurlijk ook niet het moment om dieper op de grote kwesties in te gaan. “Het leek iedereen verstandig in ieder geval de parlementaire enquêtecommissie niet voor de voeten te lopen”, zegt secretaris Breure van de gezamenlijke korpschefs. Een passend argument, maar konden zij daarmee volstaan tegenover hun eigen, soms ernstig gedemoraliseerde, mensen?

Hoofdcommissaris Hessing bediende zich in zijn karakteristiek van het grootste understatement: 'een markant jaar'. Velen hielden het op een 'turbulent jaar' of 'een jaar met veel kritiek' en: “geen jaar dat ongemerkt aan ons is voorbijgekabbeld” (Straver, Kennemerland); “het ging niet allemaal van een leien dakje” (Witteveen, Gooi en Vechtstreek); “een moeilijk jaar” (Nordholt). Maar Stoutjesdijk (Gelderland-Zuid) zag er toch nog iets goeds in: “Je kunt in ieder geval zeggen dat de veiligheid in ons land hoog op de agenda staat”.

Het was wellicht het moment om de collega's te benijden, die hun nieuwjaarsredes 'onder elkaar' plegen te houden. Zoals Limburg-Zuid: “Als onze korpschef wat te melden heeft aan de pers, meldt hij dat wel aan de pers, maar niet over de hoofden van onze mensen heen”. Of Gelderland-Midden: “Nee, niks op papier. We houden het informeel. We laten de politieke uitspraken maar over aan de grote jongens.”

Uit de veertien beschikbare nieuwjaarsredes van de grote en de kleinere jongens, die niet met de traditie wilden breken, blijkt dat zij vaak tandenknarsend om de crisis probeerden heen te zeilen. Ondanks het bij de politie alom in zwang zijnde motto om nu 'van buiten naar binnen' te kijken, namen veel korpschefs de egelhouding aan. Niemand waagde zich aan een diepergravende analyse en vrijwel niemand had behoefte de hand in eigen boezem te steken. Zij verbraken slechts het stilzwijgen van de laatste maanden om hun mensen weer wat op te peppen. En hun verongelijktheid konden of wilden zij niet verbergen.

De politie, die eenzaam vooraan in de strijd tegen de harde misdaad staat, is in de rug gestoken. “Overspoeld door een niet aflatende stroom kritiek” (Straver, Kennemerland), van “mensen die aan de zijlijn staan, terwijl toch verwacht mag worden dat vooral de politie meer zicht heeft op de ontwikkelingen, te meer omdat zij zich in de frontlinie bevindt” (Hessing). Het kan niet verbazen dat de pers hiervan als eerste verdacht en tevens schuldig is bevonden: “...over elkaar heen buitelend om tegenstellingen, problemen, spanningen te versterken, op te roepen of zelfs te construeren” (IJzerman, Twente) en zelfs criminelen verheft tot 'slachtoffers' van de politie (opnieuw Hessing). Wiarda (Utrecht) spreekt van een korps dat 'publicitair onder vuur ligt' en Nordholt bedankt zijn bureau voorlichting “dat pal heeft gestaan in de publiciteitsstorm”. Front, linie, vuur, storm - de korpschefs hebben het afgelopen jaar hun krant gelezen als omsingelde generaals.

Zij spaarden dit jaar overigens zoveel mogelijk de politiek in afwachting van de enquête. Alleen IJzerman in Enschede wilde nog wel even kwijt dat “we niet alle maatschappelijke 'apen' op onze schouder kunnen nemen” en dat de politie misschien deels onbestuurbaar is geworden, maar dat dat geen alibi mag zijn voor bestuurlijk onvermogen in Den Haag.

De kritiek is dus in veler ogen onterecht en als die al terecht is, is zij vooral te herleiden tot de gigantische reorganisatie en gaat zij voorbij aan het vele goede dat er in 1994 desondanks 'met kunst- en vliegwerk' (Twente) en 'ook al kreunde de organisatie in zijn voegen' (Tieleman, Zuid-Holland-Zuid), is gebeurd. Veel chefs melden fraaie resultaten: minder inbraken, minder overvallen, minder autodiefstallen, meer aanhoudingen. Sommigen buiten de Randstad bedienen zich daarbij van de niet-wij-maar-zij-clausule: “Het moet mij van het hart dat in de publiciteit DE POLITIE over één kam wordt geschoren. DE POLITIE bestaat helemaal niet. Wij zijn de politie Brabant-Noord en wij willen aangesproken worden op wat WIJ DOEN. En wij doen heel erg veel en vaak ook heel goed.” De kapitalen zijn overgenomen van de tekst op papier, die korpschef Van Hoorn afgelopen dinsdag in 't Strandpaviljoen aan de IJzeren Man te Vught uitsprak.

“Er gaat juist een heleboel goed”, zei ook Smeels van Zeeland - dat was overigens een oudejaarsbijeenkomst. “Ik weiger daarom mee te doen aan gejammer en geklaag over wat er allemaal niet meer kan, ik wil door! Door met ieder van jullie, die dat ook wil, de goeie dingen doen, de goeie dingen goed doen.”

Alleen de korpschef van Zuid-Holland-Zuid wilde niet meedoen in dit koor. Tieleman vond zelf zijn nieuwe gala-uniform wat ongepast gezien de dieptepunten van het oude jaar. Hij merkte in Dordrecht op dat hij kon billijken dat dit jaar de toon in de nieuwjaarsredes wat lager is dan in andere jaren. Hij noemde de 'wat verongelijkte toon' van de collega's terecht als het gaat om de naweeën van de reorganisatie, maar onterecht als het de kritiek op de opsporingsmethoden betreft. “Het topmanagement heeft daarvoor onvoldoende aandacht gehad. Er had tijdig herbezinning plaats moeten vinden.” Maar Tieleman hoort niet bij de echt grote jongens en zijn rede werd niet op papier naar buiten verspreid.

Er klonken veel emoties door in de redes. Velen hadden het erover hoe trots zij eigenlijk waren op hun mannen en vrouwen en hoe trots zij toch ook op zichzelf mochten zijn, ondanks alles. “Ik kan en mag zeggen dat ik achter jullie blijf staan” (IJzerman, Twente). Anderen toonden een passie om weer in goed contact te komen met de medewerkers. Brandt gaf in de kantine van het Haagse hoofdbureau een impressionistische schets van zijn bezoeken aan twee districtbureaus voor een goed gesprek. In het eerste bleken vooral jonge agenten te werken. Er viel een ongemakkelijke stilte toen de korpschef binnentrad, meldde hij zelf. “Die jonge collega's hadden gewoon geen zin om over het verleden te praten. Ons verleden is van voor hun tijd.” Ze hadden alleen maar last van de IRT-affaire en wilden zich aan hun moordzaak wijden. Brandt zou het tweede bezoek anders aanpakken: “Praat over de toekomst. Praat over onze dromen: over een bevolking, die zich veilig en prettig voelt. Over een politie dicht bij de bevolking.” Maar ja, toen kwam hij op een bureau met ouderen. “Cynisch, teleurgesteld. Samengevat, vroeger was alles beter.” Het valt niet mee om zulke tegenstrijdige gevoelens te beantwoorden. Maar: “De tijd van omkijken is voorbij”.

Ook Nordholt gaf blijk van zijn emoties, sprekend over zijn 'persoonlijke beleving' in 'alle onduidelijkheid, verwarring en onzekerheid'. Hij zei zich ervan bewust te zijn dat hij niet elke collega had weten te bereiken en overtuigen van zijn leiding in zulke barre tijden. “In het vertrouwen dat u mij wilt volgen op de moeilijke en soms onbegaanbare weg die we hebben te gaan (...) zie ik mijn opdracht voor het jaar 1995 vooral in het verduidelijken van de koers, het afronden van een aantal zaken, het ordenen van dingen en - hoewel het mij moeilijker valt dan te spreken - het luisteren naar u.” Hij sloot af met een woord van dank “mede namens mijn vrouw, voor de vele aardige en ondersteunende reacties”. Aangeslagen en wat deemoedig lijkt de Amsterdamse hoofdcommissaris de warmte van het eigen nest te zoeken. Geen vuurwerk, maar verduidelijken, afronden, ordenen en vooral proberen te luisteren.

Alleen Wiarda (Utrecht) en Hessing (Rotterdam) waagden het nog een keer te waarschuwen dat de samenleving zich slechts kan ontdoen van de grote misdaad door de politie de nodige middelen en bevoegdheden te geven. “We kunnen nu eenmaal niet met de diligence achter het ruimteschip blijven aangaan”, zei Wiarda, de grote tegenspeler van Nordholt in het IRT-debâcle. Hij sprak onverbloemd van een 'legitimiteitscrisis'. Daar bleef het wel bij, want bureau voorlichting in Utrecht meldde ongevraagd dat er geen interviews worden gegeven. En Hessing kondigde meteen aan met de traditie van de nieuwjaarsrede te breken. Volgend jaar houdt hij het op een toelichting als de jaarcijfers bekend zijn.

Voor de rest hield iedereen zich aan het motto van het chefsberaad: vooruit kijken. Zij willen niet langer omzien en navelstaren, maar de blik naar buiten richten, netwerken in de samenleving opbouwen, openheid, partners in veiligheid zoeken, de klant meer kwaliteit bieden, boeven vangen - zelfs toezien op eerbiediging van het rode verkeerslicht werd genoemd. Allerlei ideeën en plannetjes werden van stal gehaald. Maar ze zijn niet zo hemelbestormend als in voorgaande jaren. Er moet rust komen, herbezinning. En in Twente willen ze als derde punt voor 1995 “nog eens nadenken of de vorm waarin we hondengeleiders hebben georganiseerd zo moet blijven.”

“In 1995 zullen wij ons concentreren op ons werk”, vatte Brandt in Den Haag het goede voornemen van zijn collega's samen.

mailIcon print |