*

 
dossier

Archief

Loyale, maar kritische oppositie

BERRY ESSELINK − 10/02/96, 00:00

De auteur is lid van de CDA-fractie van de Tweede Kamer.

Doel van onze oppositie is het regeringsbeleid zo te beïnvloeden, dat het bijgebogen wordt in de richting die het CDA voor ogen staat. Wij hebben immers nadrukkelijk een visie hoe het overheidsbeleid eruit moet zien, gericht op een beter functionerende samenleving. Het best komt dat tot uitdrukking in de functie die het parlement vervult als medewetgever. Gewoon als Kamerlid en als fractie je werk doen in het wetgevingsproces; wijzigingsvoorstellen formuleren waar dat in onze optiek nodig is. Weinig spectaculair, dat wel, maar met een steeds monistischer opererende coalitie meer dan ooit nodig.

Niet slaafs volgen, maar constructieve oppositie dus. En daarmee ook een brug slaand tussen het politiek bestuur, de overheid, en wat in de samenleving leeft. Ik denk aan onze voorstellen bij de Ziektewet en de Algemene Nabestaandenwet, om er een paar te noemen.

Dualisme

Het parlement, en de Tweede Kamer in het bijzonder, controleert en beoordeelt daarnaast het beleid. Ook de regeringsfracties doen dat als het goed is - hoewel in het semi-dualistische systeem dat in de Tweede Kamer (en nu zelfs in de Eerste Kamer) is ingeslopen, dat voor hen vaak een lastige opgave is. Via 'Torentjes-overleg' zijn hun handen - zeker op de hoofdlijnen van beleid - immers min of meer gebonden. Voor de niet-regeringsacties is er zo beschouwd een bijzondere opgave in ons dualistisch bestel: de plicht van het hele parlement de regering te controleren rust op onze oppositie-schouders nadrukkelijker.

Die tweede hoofdtaak van de Kamer valt grosso modo uiteen in incidentele acties en in meer structureel werk. Bij dit laatste is er een parallel met de wetgevende arbeid. In talloze overleggen met de regering, meest in Kamercommisieverband, wordt vanuit de CDA-fractie constructief kritisch meegedacht, worden suggesties gedaan ter verbetering van het voorgestane beleid. Soms doen de media daar verslag van. Vaak ook niet.

Als voorbeeld het overleg dat onlangs werd gevoerd over het huurbeleid. De CDA-fractie trekt de consequente lijn van de laatste jaren door. Wij staan een evenwichtige huurontwikkeling voor, die op de duur, ook voor de huren aan de onderkant, een beheerste ontwikkeling garandeert. PvdA en VVD zijn inmiddels op dit beleidsterrein volstrekt onvoorspelbaar en inconsequent bezig. Breken het door staatssecretaris Tommel voorgestane beleid af waar ze kunnen, tot in het rigide. De PvdA pleit inmiddels voor ruimte om aan de onderkant van het huurgebouw de huren extra te kunnen verhogen (centen in plaats van procenten). De VVD is voor een motiveringsplicht voor huuraanpassingen op een manier die leidt tot een enorme bureaucratie in het verkeer tussen huurder en verhuurder.

Niet een evenwichtige en zorgvuldige ontwikkeling van huren en het regelen van een fatsoenlijk verkeer tussen huurder en verhuurder lijkt hier de drijfveer, maar slechts het uithollen van de positie van de D66-staatssecretaris van volkshuisvesting.

Zaak-Van Randwijck

Controleren van het regeringsbeleid is ook reageren op incidenten. De zaak-Van Randwijck, aan de hand waarvan Hoogendijk zijn beschouwing opbouwt, is er een voorbeeld van. Het is in mijn wijze van zien de oppositie die in het parlement een bijzondere verantwoordelijkheid heeft in het signaleren van wat er misgaat. Het is onze rol in en met de hele Tweede Kamer aan de kaak te stellen waar de regering steken laat vallen.

De affaire Van Randwijck is zo'n misser, die - uitvergroot door de media - tot twee keer toe in de Tweede Kamer is besproken. De eerste keer leidde dat zelfs tot een motie van de regeringscoalitie die de minister van justitie ertoe bracht het expliciete vertrouwen van de coalitiefracties te vragen. Zonder deze belijdenis van die kant kon zij niet verder. Een staatkundig novum: een minister die niet - zoals gebruikelijk - het vertrouwen van de Kamer veronderstelt te hebben, maar slechts verder kan als de regeringsfracties dat vertrouwen expliciet uitspreken.

Dan de tweede keer dat dit incident aan de orde is. Aan dit tweede debat hangt Hoogendijk dus zijn beschouwing op.

Opnieuw wordt getwijfeld aan de verklaring die de minister heeft gegeven over het ontslag van Van Randwijck. In het bijzonder over de werkelijke ontslaggrond. Mijn collega Van der Heijden beschikt over informatie, dat aan de lezing die de minister had gegeven ten minste het een en ander ontbrak. Ook de minister zelf, terugkijkend op het vorige debat, vindt dat, blijkens haar brief aan de Kamer. Een brief die overigens pas komt als het debat inmiddels is aangekondigd.

Tijdens het debat speelt de informatie die collega Van der Heijden heeft, een cruciale rol. De regeringscoalitie daagt hem uit die over te leggen. Hij doet dat niet en vindt dat zelf achteraf jammer.

Waarom richten de coalitiefracties hun pijlen op mijn collega en niet op de minister? De gang van zaken in het eerste debat heeft daar mijns inziens alles mee te maken. Toen ging men langs de rand van wat de coalitie kon verdragen. Een ministerscrisis - en wellicht zelfs meer dan dat - lag binnen handbereik. Niet zozeer tengevolge van het optreden van de oppositie, maar juist door de stellingname van de coalitie.

Als de minister in dit tweede debat overtuigend voor de Kamer had willen zijn, had zij alle stukken die ze had rond het vertrek van Van Randwijck, - vertrouwelijk - aan de Kamer over moeten leggen. Sterker, dat lag, zeker toen de correspondentie over en tussen ambtelijke diensten onderling en met de minister een rol ging spelen, voor de hand. De minister bracht dat niet op. En de regeringsfracties vroegen er liever niet naar; hun voorzitters hadden immers, al tijdens het vorige debat daartoe uitgedaagd, het expliciete vertrouwen uitgesproken in de minister.

Visie

Het CDA is - zo zeg ik Hoogendijk na - de drager van een bepaalde visie op overheid en samenleving. Wij willen mensen in de ruimte stellen van de eigen verantwoordelijkheid. Als individu voor het eigen welbevinden, en als mensen samen - als samenleving dus - ten opzichte van elkaar en voor het geheel.

De overheid hoort het nemen van die verantwoordelijkheid consequent aan te moedigen. En heeft daarenboven de bijzondere opdracht vloeren in het bestaan van mensen, dichtbij en veraf, jong en oud, te waarborgen. Materieel en immaterieel. Voortdurend een zodanige rechtsstaat te bevorderen, dat ieder tot zijn en haar recht kan komen. Solidariteit te organiseren waar de samenleving zelf daar niet toe komt. Mensen te beschermen voor elkaar, opdat niet het recht van de sterkste heerst. De (en het) zwakke in het bijzonder in bescherming nemen hoort tot die bijzondere opdracht. Net als grenzen stellen aan menselijke hebzucht, als die ten koste gaat van de ander of ten koste van onze natuurlijke omgeving.

Ook in de oppositie bepaalt dat onze positie. Die dragen wij als Tweede- Kamerfractie uit. De ene keer lukt dat beter dan de andere; wij maken ongetwijfeld ook fouten. Wij beoordelen de regering op haar daden. Toetsen die aan onze visie op mens, maatschappij en overheid. Proberen bij te buigen waar dat in onze zienswijze nodig is.

Waar dat kan steunen wij het beleid. En dan ook van harte. Spreken dat ook uit. Geen misverstand, de regering is zo beschouwd ook onze regering. Maar ook geen ander misverstand: wij schuwen het niet om aan de kaak te stellen waar de regering het in onze opvattingen niet goed doet. Incidenteel of structureel. En waar leden van die regering het er bij laten zitten. Ook dat is onze taak.

mailIcon print |