In het voorjaar van 1920 deed de Haagse politie een inval in een bordeel met minderjarige jongens. Men trof daar Prins Hendrik van Mecklenburg-Schwerin aan, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, maar ook nog een aantal andere illustere Nederlanders: de schrijver Louis Couperus, de kunsthistoricus Dr. A. Bredius, ritmeester van de cavalarie C.J.J. Sixma baron van Heemstra, Axel Fuerst von Thurn und Taxis en de kantoorbediende E.L. van Oostrom Soede. Alleen de kantoorbediende en de ritmeester werden vervolgd en veroordeeld. De andere heren bleven buiten schot, schrijven Hugo Arlman en Gerard Mulder in hun boek Van de Prins geen kwaad (1982). Men zou dat 'selectief vervolgingsbeleid' kunnen noemen.
Is het Openbaar Ministerie daartoe bevoegd? Jawel, in het Wetboek van Strafvordering van 1926 is expliciet bepaald dat het Openbaar Ministerie van strafvervolging kan afzien “op gronden aan het algemeen belang ontleend” (art. 167 lid 2 en 242 Sv). Het principe dat aangeeft dat het OM daartoe gerechtigd is heet het 'opportuniteitsbeginsel' en het daadwerkelijk niet-vervolgen waar wel een overtreding van de strafwet geconstateerd is, heet 'seponeren'. Ook voordat het sepot in de wet werd opgenomen, was reeds sprake van een sepotpraktijk. Het genoemde voorbeeld bewijst het.
Het voorbeeld bewijst ook dat niet alleen het berechten van strafbare feiten een element van klassejustitie kan inhouden, maar ook het vervolgen. De Prins werd duidelijk uit de wind gehouden op basis van zijn voorname positie.
Tegenwoordig doet de term 'klassejustitie' wat gedateerd aan. Maar we hebben wel iets dat er op lijkt: iemand die zich in de volksgunst mag verheugen, een voetbalheld of een bekende liedjeszanger, lijkt minder van vervolgings- en berechtingsinstanties te duchten te hebben dan de modale anonieme Nederlander. Zo heb ik laatst tijdens een ritje een lange tirade van een taxi-chauffeur aangehoord over de geringe straf voor Marco Bakker en het sepot voor Patrick Kluivert.
Vrouwe Justitia dient consistent en onpartijdig op te treden tegen overtreders van de wet (denk aan de blinddoek) en af en toen een flinke dreun uit te delen (zij draagt het zwaard niet tevergeefs). Het is dan ook onbevredigend dat het Openbaar Ministerie niet veel straffer is opgetreden tegen de actie om op middernacht de verkoop te starten van een cd van de liedjeszanger Marco Borsato. Hoe haalt de directie van de Free Record Shop het in zijn hoofd om op enorme schaal in hun filialen de Winkelsluitingswet te overtreden? Het antwoord ligt voor de hand: omdat men weet dat het straffeloos gedaan kan worden. In NRC Handelsblad (14 augustus 1998) wordt marketingmanager Rob Hermans aangehaald: in Tilburg dreigde de politie op te treden tegen een van de vestigingen van de Free Record Shop, maar de heren van de recordshop hebben na telefonisch contact de 'beslissing genomen het risico te nemen'. “En er is niks gebeurd.”
Niks gebeurd. Inderdaad. Dus waarom zouden we niet massaal de wet aan onze laars lappen? De hoogste baas van het Openbaar Ministerie, de waarnemend-voorzitter van het College van Procureurs-generaal, dhr. Ficq, lag waarschijnlijk al te slapen. Of zijn gedachten zijn reeds bij zijn volgende baantje als rechter. Of hij zit nog te mokken over de met ontslag gestuurde Docters van Leeuwen. Of hij weet dat tegenover het imperium van Hans van Breukhoven (baas van Free Record Shop) en Marco Borsato Vrouwe Justitia machteloos staat.
Justitie kende aan het begin van deze eeuw haar grenzen en kennelijk is dat niet veranderd. De grenzen worden alleen wat anders getrokken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.