*

 
dossier

Archief

Bloedzuigers, kleine vampiers in de sloot

HENK VAN HALM − 28/03/98, 00:00

Er drijft weer kroos in de sloot. Salamanders en kikkers zijn ontwaakt en stekelbaarsjes krijgen hun oorlogskleuren, als het mannetjes zijn: rood op de buik en blauwgroen op de rug. Als je nu met een schepnet dicht bij de oever slootdiertjes gaat vangen, heb je altijd succes. Waterpissebedden, waterwantsen, haften- en libellenlarven en waterkevertjes zijn er zeker. En allicht vang je bloedzuigers, para-sitaire wormen, waarvan het in de sloot kan wemelen.

Een soort die nu al actief is en opvalt door zijn beweeglijkheid, is de visbloedzuiger, groen geblokt en met een witte streep over de rug, twee tot vijf centimeter lang, slank, rolrond, met een kleine zuignap om de mondopening en een opvallend grote zuignap aan het achterlijfseinde. In het schepnet kruipt hij rond als een spanrups door zich met de voorste zuignap vast te zetten, het lijf bij te trekken door de rug te krommen en vervolgens de achterste zuignap vlak achter de kop vast te zetten, daarna het lichaam te strekken en opnieuw met de voorste zuignap vast te zetten. In een jampot met water blijkt hij ook uitstekend te kunnen zwemmen met slangachtige bewegingen zoals een paling maakt.

Met de achterste zuignap vastgehecht op waterplanten of op de bodem, het lijf gestrekt, wacht hij op een slachtoffer. Soms wat heen en weer zwaaiend, wat als een zoekbeweging uitgelegd kan worden, reageert de visbloedzuiger op zwakke waterstromen die de nadering van een prooi aankondigen. Zodra hij de vis raakt, laat hij de plant los en zuigt hij zich aan de vis vast. Hij kan vier weken op een vis blijven en zich aan het vissenbloed tegoed doen. Als veel bloedzuigers tegelijk op een kleine vis zitten, kunnen die hun slachtoffer doden.

ADERLATEN

Vroeger gebruikten heelmeesters bloedzuigers voor het aderlaten. Het zetten van bloedzuigers zou helpen tegen bijna alle ziekten. De negentiende-eeuwse dierkundige A. E. Brehm beweerde dat in de eerste helft van de vorige eeuw, toen dit gebruik bijzonder in zwang was, in de Parijse ziekenhuizen jaarlijks door zes tot negen miljoen bloedzuigers zestig- tot negentigduizend kilo bloed aan patiƫnten werd ontnomen.

Die bloedzuigers waren geen visbloedzuigers, want die kunnen met hun slurf de huid van mensen niet penetreren. Er werden medicinale bloedzuigers voor gebruikt, die in de mondopening, midden in de voorste zuignap, drie scherp getande chitineplaatjes hebben, die door spieren kunnen worden bewogen als cirkelzagen.

De medicinale bloedzuiger zul je niet snel in je netje vangen. Hij is alleen met zekerheid aangetroffen in oude rivierarmen van Rijn en Waal, in Goedereede, Eerbeek, Denekamp, de Morra, Mook, Nederweert, Valkenswaard, Winterswijk en Roermond.

Die medicinale bloedzuiger is de enige inheemse soort die bij mensen bloed zuigt. In de tropen is dat wel anders. Vraag er Nieuw-Guineagangers maar eens naar. In het tropische regenwoud laten landbloedzuigers zich op voorbijgangers vallen. Ze kruipen in mouwen en broekspijpen, als die niet zorgvuldig zijn dichtgebonden. In alle expeditieverslagen kom je die gevreesde plaaggeesten tegen.

ONSCHULDIG

Dan zijn de bloedzuigers uit onze sloten en plassen heel wat minder kwaadaardig. Voor mensen althans. Ze voeden zich met kleine waterdieren of zuigen bloed bij waterslakken, vissen en amfibieƫn. De zuignap aan voor- en achtereind dient om zich aan de prooi te hechten en om als een spanrups te kruipen.

De meeste bloedzuigers hebben een slurf, die ze in hun prooi boren, of sterk gespierde keelplooien, waarmee ze hun slachtoffer verslinden. Alleen de onechte paardenbloedzuiger heeft zulke 'kaken' van drie gezaagde chitineplaatjes in de mondopening als de medicinale bloedzuiger, maar is toch niet in staat de huid van een zoogdier te doorboren. Hij heet 'onecht', omdat in het Middellandse-Zeegebied een paardenbloedzuiger voorkomt, die zich vastzuigt in de mondholte van drinkend vee en zelfs voor mensen gevaarlijk kan zijn.

Onecht of niet, onze paardenbloedzuiger is door zijn donkere voorkomen en zijn grootte, wel vijftien centimeter lang en twee centimeter breed, een angstwekkend dier. Hij verslindt wormen, slakken, insectenlarven en zelfs wel kleine vissen, die soms nog groter zijn dan hij zelf. Zijn kleur lijkt zwart, als hij met aalachtige golfbewegingen heen en weer zwemt, maar is in werkelijkheid bruingroen met donkere vlekken en zijn buik is lichter met gele zijranden. Hij kan net als een paling bij uitdroging van de sloot over land naar ander water kruipen.

KANNIBAAL

Een andere algemeen voorkomende soort is de gewone nephelis, die zich meestal in dichte waterplantengroei ophoudt. Het in rust vijf centimeter lange dier kan zich uitrekken tot tien centimeter. Zijn smalle lijf eindigt in een grote ronde zuignap. Bij doorvallend licht kun je acht donkere ogen zien aan het kopeinde, dat in plaats van chitineplaatjes drie sterk gespierde huidplooien heeft. De nephelis kan snel van kleur en tekening veranderen, maar is gewoonlijk bruinachtig met dwarsrijen lichte en donkere stippels. Hij vangt wormpjes en kreeftjes en eet zelfs wel zijn eigen jongen op.

Bloedzuigers zijn tweeslachtig: de partners bevruchten elkaar wederzijds. De eitjes worden in een capsule afgezet. Dat is eerst een koker van slijm, die het voorste deel van het lijf ter hoogte van de uitgang van de eileiders bedekt. Als daarin de eieren zijn gelegd, trekt de bloedzuiger zich eruit terug en sluit de beide openingen van de buis, die vervolgens verhardt.

DODE EENDEN

Clepsines kennen echte broedzorg: hun tien tot vijftien eieren hechten ze onder hun plat druppelvormige lijf. Als de jongen uitkomen, worden die een tijdje door het moederdier meegedragen, aan haar lijf vastgehecht door middel van hun zuignap of met in het water verhardende draden. Deze clepsines vang je in de zomer, als ze op de bladeren van waterplanten zitten. Als je ze van de ondergrond verwijdert, rollen ze zich op als een pissebed. Ze boren hun slurf in poelslakken, posthorens en blaashoornslakken en eten watervlooien en rietmuggenlarven.

GOEDE MOEDERS

Het komt nogal eens voor dat eenden in gemeentevijvers doodgaan doordat hun ademhalingswegen verstopt zijn door bloedzuigers. Op net onder de waterspiegel zwevende planten wachten de zeer beweeglijke jongen van de eendenbloedzuiger op hun slachtoffers. Ze reageren op plotselinge schaduw en op golfbewegingen van het water en laten zich door watervogels opzuigen om zich in mondholte, neusholte of luchtpijp te nestelen. Na een dag of drie zijn ze verzadigd en waarschijnlijk dan pas geslachtsrijp.

De lichaamsvorm van bloedzuigers is bijzonder flexibel. Een volgezogen bloedzuiger kan wel drie tot vier keer de omvang hebben van een lege bloedzuiger. Daarna kan hij wel twee jaar vasten.

Rovers, kannibalen en parasieten zijn het, de vampiers van de sloot. Maar ze hebben ook vijanden: jonge bloedzuigers worden gegeten door watersalamanders, volwassen bloedzuigers door de grote soorten waterroofkevers. Ook worden bunzing, egel, waterspitsmuis en woelrat genoemd onder de verdelgers van bloedzuigers.

natuur deze week

Bloeiende dotters kleuren de gemaaide rietlanden geel. De kraakwilg bloeit met langwerpige katjes tegelijk met het ontluikende blad, dat de boom een geelgroen aanzien geeft. In tuinen en straten staat de gevulde Japanse kers in volle roze bloei. In de boomgaard bij een boerderij zag ik nog een paar laatste bloeiende sneeuwklokjes. Dikke aardhommelkoninginnen bezoeken zwaar brommend de bloemtrosjes van rode ribes en pieris. Schrijvertjes en schaatsenrijders zwermen bijeen op stille wateren in de luwte. Ze jagen op verdrinkende insecten. Door bos en park knierpt het trommelen van de grote bonte spechten. Met snelle snavelhouwen brengen de mannnetjes bij wijze van zang een dode tak in trilling, waardoor het trommelend geluid ontstaat. Meer dan in de winter klinkt het miauwen van de buizerds boven de boomkruinen. Ze houden nu hun baltsvluchten, waarbij het mannetje in golvende vlucht zijn territorium omcirkelt. In parken, plantsoenen en tuinen met veel heesters zingen de heggemussen druk hun bescheiden liedje, dat soms wat doet denken aan de rollende zang van de winterkoning. De heggemus is geen familie van huis- en ringmus, maar een insectenetertje met een dunne snavel. Op de toekomstige broedplaatsen zijn de kokmeeuwen al druk. Alle volwassen vogels hebben de donkere kop, die bij het zomerkleed hoort. Baltsende en parende futen zijn tegenwoordig op parkvijvers en in stadsgrachten te zien. Er zijn nog veel wintergasten: smienten, sijzen, vinken, kepen, kramsvogels, koperwieken, brand-, rot- en kolganzen. Ook de meeste tafeleenden zijn wintergasten, maar tegenwoordig komt deze soort op steeds meer plaatsen ook als broedvogel voor en volgt daarmee het spoor van de verwante kuifeend. De hele winter is een troepje witte kwikstaarten in Oostvoorne gebleven. Witte kwikstaarten broeden er in de kassen. In andere jaren vertrokken zij eind oktober en kwamen ze half maart weer terug.

mailIcon print |