AMSTERDAM - Maurizio Pollini is in 1960 zijn glansrijke loopbaan begonnen met het winnen van het Chopin-concours te Warschau. Zijn objectieve, technisch buitengewoon briljante en intelligente vertolking van romantische muziek was destijds grensverleggend.
Hoewel de Italiaanse meesterpianist nadien het romantische repertoire is blijven spelen, ging hij zich tevens meer en meer profileren als vertolker van eigentijdse muziek (Stockhausen, Boulez, Nono) en van intellectueel moeilijk toegankelijke werken (de late Beethoven). De laatste jaren speelt Pollini echter ook weer volbloed romantische programma's. Zo combineerde hij zondagavond in zijn recital in de Grote Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam de componisten Schumann en Chopin, zoals hij dat overigens in 1995 in dezelfde zaal ook al eens deed (in grotendeels andere stukken).
In Schumanns 'Davidsbündlertünze, opus 6' liet hij een grootse, orkestrale manier van spelen horen, waarmee hij het Amsterdamse publiek direct in de ban wist te brengen. Er is geëxalteerdere en in dit werk ook dansantere manier van Schumann-spelen voorstelbaar, maar de eerlijke stijl van Pollini bevredigde zeker zo goed.
Aardig was dat hij vervolgens een werk speelde dat niet zo vaak wordt uitgevoerd, de monumentale derde pianosonate, het zogeheten 'Concert zonder orkest', in de driedelige versie uit 1836. Het werk klonk onder Pollini's handen zeer symfonisch; de pianist hield zich zozeer met de muzikale structuur bezig, dat de luisteraar bijna het gevoel kreeg juist naar een 'concert zonder piano' te luisteren.
Afgestofte Chopin
In zijn Chopin-vertolkingen heeft Pollini van het begin af aan afstand genomen van het sentimentalisme van vroegere generaties Chopin-specialisten. Zo'n door en door gezonde, afgestofte Chopin kan nooit kwaad, maar toch miste ik in de keren dat ik Pollini in werken van deze componist gehoord heb vaak intimiteit, rankheid, dit ten gevolge van Pollini's overwaardering van kracht en snelheid. Zondag bleek dat Maurizio Pollini - naar mijn indruk meer dan in 1995 - gevoel heeft voor de tederheid en de adem in Chopin. Vooral de twee Nocturnes opus 27 hadden voor mijn gevoel meer zeggingskracht dan toen hij diezelfde stukken drie jaar geleden in Amsterdam speelde. De Ballades nr. 2 en 4 kregen dankzij Pollini's epische manier van spelen veel zeggingskracht. Chopins 'Berceuse' daarentegen klonk naar mijn smaak nog te luid en te kil om te kunnen betoveren.
Pollini's oude, bijna klinische kilheid was er ook in de eerste toegift, Chopins Etude opus 25 nr 1. De tweede toegift, het derde Scherzo van Chopin kreeg een zeer op techniek gerichte uitvoering, maar klonk tegelijk zo subliem, dat het publiek in extase raakte. Pollini is nog steeds een idool, dat is zeker.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.