*

 
dossier

Archief

Een kleine geschiedenis van de geweldloosheid

TON CRIJNEN − 30/01/98, 00:00

“Heb ik de geweldloosheid van de dapperen in mij? Pas mijn dood zal het uitwijzen. Als iemand mij doodt en ik sterf met een gebed voor de moordenaar op mijn lippen en met de gedachten aan God en aan het bewustzijn van Zijn levende aanwezigheid in het heiligdom van mijn hart, eerst dan zal men kunnen zeggen dat ik de geweldloosheid van de dapperen bezat.”

In werkelijkheid waren de laatste woorden die de 78-jarige Mohandas Karamchad 'Mahatma' Gandhi stamelde toen, vandaag precies vijftig jaar geleden, drie kogels een einde aan zijn leven maakten, een uiting van berustende aanvaarding: “He Ram, O God.” Dat neemt niet weg dat hij wel degelijk 'de geweldloosheid van de dapperen' bezat, al is de geur van heiligheid en volmaaktheid die zijn naaste volgelingen meenden op te snuiven, postuum wat minder sterk.

Zo liet hij zich soms meeslepen door zijn idealen, tot over de rand van wat nog geloofwaardig was. Wat te zeggen van Gandhi's opvatting, kort na de oorlog geuit, dat de joden zich demonstratief voor de vernietigingskampen hadden moeten melden. “Dat zou Duitsland en de wereld hebben wakker geschud.” Een absurd-naïeve gedachte voor wie de feiten kent.

Toch was Gandhi geen wereldvreemde dromer. Bij de geweldloze, burgerlijke ongehoorzaamheid die hij in India in praktijk bracht, ging het om actief verwerven van macht, met als doel gerechtigheid te realiseren. Daar zat niets passiefs bij. “Mijn geloof in geweldloosheid is een buitengewoon actieve kracht. Het biedt geen plaats voor lafheid of zelfs maar zwakte.”

Hij was de eerste die de al eeuwen bestaande inviduele deugd van geweldloosheid omsmeedde tot een collectief wapen waarmee de machtelozen het geweldsmonopolie van de machthebbers konden ontkrachten. In deze geweldloze strijd werd de tegenstander nooit verketterd, was elke wrok taboe.

De radicale hindoe die Gandhi vermoordde, bewees met zijn daad dat de religies uit het oosten evenzeer een bron van zinloos geweld kunnen zijn als die in het westen. Het is goed dit nog eens te onderstrepen, want in Europa hebben sommigen de neiging het patent op geweldloosheid wel wat erg nadrukkelijk bij Azië neer te leggen.

Wie de kranten doorbladert realiseert zich echter al snel hoezeer het godsdienstig bepaald geweld nog steeds mondiale trekken heeft.

Naast verslagen over moorden in Ulster waar rooms-katholieken en protestanten elkaar te lijf gaan en over openlijk beleden haatgevoelens van katholieke Kroaten, orthodoxe Serven en islamitische Bosniërs jegens elkaar, zijn er de berichten over gruweldaden bedreven door moslimextremisten in Algerije, door hindoe-fanatici in India en boeddhistische Singalezen op Sri Lanka. En in Israël blijken sommige ultra-orthodoxe joden evenmin vies van het gebruik van grof geweld.

Voor allen gaat de waarneming van theoloog Hermann Hüring op - onlangs gedaan in het tijdschrift Concilium - dat “geweld juist daar tot ongehoorde uitbarstingen (schijnt) te komen waar religie tot drijfveer van politiek handelen wordt”. Een constatering die herinnert aan een uitspraak van Gandhi: “Zij die denken dat religie niets met politiek te maken heeft, weten niet wat religie is.”

Zoals godsdiensten regelmatig de basis voor geweld vormen, blijken ze anderzijds inspiratiebronnen voor het soort geweldloos verzet dat Gandhi en in diens voetspoor de zwarte dominee Martin Luther King predikten en praktiseerden.

Alle grote godsdiensten, inclusief de islam, hebben mensen gekend die over geweldloosheid nadachten. Sommigen, zoals Tolstoi, in de stilte van hun studeerkamer, anderen - de vermoorde Salvadoraanse katholieke aartsbisschop Oscar Romero was een van hen - te midden van het rumoer van de strijd tegen uitbuiting, discriminatie en geweld.

Het idee van geweldloosheid als beginsel van menselijk handelen gaat ver terug in de geschiedenis: ze wordt al eeuwen voor Christus aangetroffen bij Chinese wijsgeren als Confucius en Lau Tse, en later ook in de leer van Jezus, zoals vastgelegd in zijn befaamde Bergrede.

Gandhi echter sloot als eerste met zijn geweldloosheidsfilosofie aan bij het idee van burgerlijke ongehoorzaamheid die de Amerikaan Henry Thoreau had ontwikkeld. En zo ontstond de leer van satyagraha, het zoeken naar waarheid, dat de basis vormde van Gandhi's geweldloos politiek verzet

Gandhi's geweldloze acties zijn, evenals die van King, inmiddels geschiedenis geworden. Voorbij lijkt de tijd dat massaal geweldloos verzet er, mede dankzij kerken en religieuze groeperingen, toe leidde dat dictatoriale regimes verdwenen (Oost-Europa) en oorlogen (Vietnam) werden beëindigd. Hoewel, het is nog maar een jaar geleden dat door de orthodoxe kerk gesteunde geweldloze demonstraties in Servië het bewind van Milosevic tot inbinden dwongen.

Het laatste decennium heeft het geweld zich verspreid over gebieden waar men zelfs aan minimale regels van fatsoen en fair play geen boodschap heeft. Wat de vraag doet rijzen - professor Kees Schuyt stelde haar onlangs in de Volkskrant - of ideeën van geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid nog wel zinvol zijn in een tijd vol nationale, etnische en religieus getinte conflicten die uiterst gewelddadig van aard blijken (Rwanda, Liberia).

Het antwoord op deze vraag wordt dagelijks in de praktijk gegegeven. Bijvoorbeeld in Burma waar Aung San Suu Kuyi en haar Nationale Liga voor Democratie zich al ruim negen jaar verweren tegen de harde repressie van de militairen. Ze doen dat nadrukkelijk op een geweldloze manier. Want, zo verzekert Kuyi telkens, “de macht van de machtelozen zal ten slotte veel groter blijken dan die van de wapens”.

Ook elders in Azië, en in Afrika en Latijns-Amerika zetten mensen zich, vaak op basis van hun religieuze overtuiging, in voor geweldloosheid. Hun acties mogen dan soms niet zo spectaculair lijken als het boeddhistisch gemotiveerde verzet van Kyi, toch zijn ze niet minder opmerkelijk en relevant.

Zo is er de oude boeddhistische monnik Maha Ghosananda die sinds 1979 demonstratieve voettochten door Cambodja maakt om de mensen tot vrede te bewegen. In het naburige Thailand werken geweldloze activisten al ruim twintig jaar samen in het islamitisch geinspireerd Civil Rights Protection Center. Ze strijden op geweldloze wijze tegen aantasting van de mensenrechten door de overheid en genieten daardoor, vooral in het zuiden, veel aanzien.

En in Soedan roept de schrijver Khalid Kishtainy op tot geweldloos verzet tegen een fundamentalistisch regime dat alle mensenrechten aan zijn moslimlaars lapt.

Kennelijk blijken elders in de wereld mensen minder sceptisch over het nut van geweldloos verzet dan professor Schuyt in Nederland.

Toch blijft zijn vraag, door anderen al eerder gesteld, relevant: Heeft geweldloos verzet wel effect op regimes die zich niets aantrekken van de publieke opinie in eigen land en daarbuiten, en die met bruut geweld elke vorm van protest de kop indrukken?

Zou een Duitse Gandhi onder Hitler of een Russische ten tijde van Stalin even succesvol de boodschap van ahimsa (geweldloosheid) hebben kunnen prediken als de mathama onder de Britten? Wie zich de afloop van het vreedzame studentenprotest op het Tiananmen-plein in Peking (1989) voor de geest haalt weet het antwoord.

Maar hiermee is niet alles gezegd. Wanneer men in de jaren zeventig Russische dissidenten naar het motief van hun geweldloze protestacties vroeg, kreeg men nooit te horen dat ze verwachtten hiermee het sovjetregime omver te werpen. Nee, de allesoverheersende reden waarom Sacharov c.s. de ongelijke strijd met de dictatuur aangingen was dat ze dit moesten doen om niet hun zelfrespect te verliezen.

Akkoord, hun verzet had ook een eschatologische dimensie - het vooruitgrijpen op een tijd waarin de mensen zouden leven zonder geweld en repressie - maar eigenwaarde was hun voornaamste drijfveer. Misschien is dat wel de grote winst van geweldloos verzet: dat het zelfrespect terugbrengt bij mensen die zelfs dat verloren hebben.

mailIcon print |